HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4713

Maatstaf beoordeling getuigenverzoek na schorsing onderzoek ter terechtzitting. Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2005 van de Wet van 10 november 2004, Stb. 579, waarbij art. 321 Sv is vervallen, dient als de behandeling ter terechtzitting is aangevangen, een nieuw of herhaald verzoek tot het horen van getuigen slechts te honoreren als de noodzakelijkheid van dat horen blijkt. Het verzoek i.c. om A en de verbalisanten B, C, D en E ter terechtzitting als getuigen te horen is gedaan na de aanvang van de terechtzitting in appel, zodat zich niet een geval voordoet ex art. 414 Sv. Daarom moet hier op grond van art. 315.1 Sv, welke bepaling ook in appel van toepassing is, het criterium worden toegepast of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Het hof heeft dus de juiste maatstaf aangelegd bij de beoordeling van het verzoek. ’s Hofs oordeel dat het verzoek “te laat ingediend” is, is evenwel hetzij onjuist hetzij bij gebreke van een nadere motivering onbegrijpelijk. Gelet op hetgeen de raadsman onder verwijzing naar de brief van mr. Bommer heeft aangevoerd, is ook ’s hofs oordeel dat het verzoek “niet onderbouwd” is, zonder nadere doch ontbrekende motivering, onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen