HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0216

Het hof heeft voor het bewijs gebezigd de op 23-12-04 door het minderjarige slachtoffer X tijdens een studioverhoor bij de politie afgelegde verklaring. Dit t.t.v. de gepleegde feiten 9-jarige slachtoffer heeft a.g.v. een schot in haar hoofd ernstig hersenletsel opgelopen. In het pv van de terechtzitting in appel van 22-9-04 is opgenomen dat de moeder van X toen heeft verklaard dat haar dochtertje tot dan toe had aangegeven zich niets meer van de gebeurtenissen op 12-7-03 te kunnen herinneren. In eerste aanleg was dan ook nog geen verklaring van X beschikbaar. De klacht dat het hof de verklaring van X ten onrechte voor het bewijs heeft gebruikt omdat art. 360.1 Sv niet is nageleefd faalt. Ingevolge het ook in appel toepasselijke art. 360.1 Sv dient voor het gebruik als bewijsmiddel van het pv van een verhoor bij de RC, houdende de verklaring van een minderjarige getuige die op de wijze als geregeld in art. 216.2 Sv is gehoord, in het vonnis de bijzondere reden te worden opgegeven. In het onderhavige geval gaat het echter om een door een minderjarige getuige bij de politie afgelegde verklaring, zodat art. 360.1 Sv niet van toepassing is (HR DD 96.186). Nu evenwel, naar het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen, door de verdediging uitdrukkelijk en gemotiveerd het standpunt is ingenomen dat bedoelde verklaring niet tot het bewijs mocht worden gebezigd, was het hof ex art. 359.2 Sv gehouden voor de afwijking van dat standpunt i.h.b. de redenen op te geven. Het hof heeft aan die motiveringseis voldaan. Zijn overwegingen m.b.t. de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaring kunnen gelet op de aan de feitenrechter voorbehouden vrijheid in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst. ‘s Hofs oordeel dat de verklaring voor het bewijs kon worden gebezigd is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen