HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7757

1. Onpartijdig gerecht ex art. 6.1 EVRM en oordeel over ontvankelijkheid OM in kader verzoek tot opheffing voorlopige hechtenis. 2. Ontvankelijkheid OM en vernietiging inbeslaggenomen voorwerpen. 3. Motivering ex art. 360.1 Sv van gebruik voor bewijs van verklaring bedreigde getuige. 4. Een redelijke uitleg van de art. 59 en 63 Sr brengt mee dat in een geval a.b.i. art. 63 de (eerdere) oplegging van een geldboete niet in de weg staat aan de (latere) oplegging van levenslang. Ad 1. Het hof wees verdachtes verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis o.g.v. art. 67.3 Sv i.v.m. mogelijke niet-ontvankelijkverklaring van het OM af en oordeelde daarbij dat het beroep op niet-ontvankelijkheid moest worden verworpen. In aanmerking genomen (a) dat ‘s hofs oordeel omtrent de ontvankelijkheid van het OM is gegeven ter motivering van de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, en (b) dat het hof in het verdere proces de ontvankelijkheid van het OM heeft onderzocht en daaromtrent in de bestreden uitspraak n.a.v. het dienaangaande ten principale gevoerde verweer een beslissing heeft gegeven, kunnen de overwegingen van het hof bezwaarlijk anders worden verstaan dan als behelzende een voorlopig oordeel over de ontvankelijkheid van het OM. Ad 2. HR verwijst naar conclusie AG, o.m. inhoudend: algemene overwegingen omtrent de bewaring door het OM van inbeslaggenomen voorwerpen. En: vernietiging van deze voorwerpen zonder machtiging ex art. 117.2 Sv is in beginsel inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde. I.c. geen niet-ontvankelijkheid OM, want niet is komen vast te staan dat de voorwerpen zijn vernietigd op een wijze waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De vernietiging was het gevolg van waterschade. Ad 3. Art. 360.1 Sv, dat ex art. 415 Sv ook in appel van toepassing is, schrijft voor dat het vonnis i.h.b. de reden geeft van het gebruik als bewijsmiddel van een pv van verhoor bij de RC, houdende de verklaring van een bedreigde getuige. Dit betekent dat de rechter blijk ervan dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van die verklaring te hebben onderzocht (HR NJ 1999, 526). Verzuim daarvan leidt ex art. 360.3 Sv tot nietigheid. Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat het de betrouwbaarheid van de verklaring van de bedreigde getuige NN2 heeft onderzocht door haar te vergelijken met de verklaringen van de getuigen A, B en C, die het hof blijkens zijn overwegingen na onderzoek betrouwbaar heeft bevonden. Aldus verstaan geven ’s hofs overwegingen geen blijk van miskenning van het vorenstaande.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen