HR 22 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5738
Rechtsdwaling. HR verwerpt cassatieberoep daartoe verwijzend naar conclusie A-G, inhoudende: Voor het slagen van een beroep op AVAS wegens dwaling t.a.v. de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, is vereist dat aannemelijk is dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid t.a.v. de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (HR NJ 1995, 631). Daarvan kan sprake zijn indien verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen (HR NJ 1961, 416). ’s Hofs oordeel dat exploitant aanmerkelijk nalatig heeft gehandeld en dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven door na te laten de nodige informatie in te winnen omtrent de toezichtsmaatregelen t.a.v. het specifieke zwembad en het toezicht i.o.m. de wettelijke eisen te brengen is onjuist noch onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl