HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3584
1. Uitleg tenlastelegging door hof. 2. Giften of beloften ex art. 177 Sr. 3. Verbeterde lezing door HR van misslag in bewezenverklaring. Ad 1. Uit de gedingstukken volgt dat de bank een deugdelijk namens de provincie ondertekende schriftelijke overeenkomst verlangde. Het hof heeft de tenlastelegging onder 1 kennelijk aldus verstaan dat aan verdachte is verweten dat hij met zijn mededader Y valselijk een zodanige overeenkomst heeft opgesteld, waarbij dit stuk door zijn mededader is ondertekend met een handtekening die moest doorgaan voor die van de CvdK, terwijl in werkelijkheid de desbetreffende partijen niet een dergelijke, schriftelijk door partijen vastgelegde overeenkomst van de desbetreffende inhoud hadden gesloten en ondertekend. Deze niet met de bewoordigen van de tenlastelegging in strijd zijnde uitleg daarvan door het hof dient in cassatie te worden geëerbiedigd. Ad. 2 Vooropgesteld moet worden dat art. 177 Sr in een geval als i.c. niet alleen ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, doch ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen (HR LJN AT8318). Onjuist noch onbegrijpelijk is ’s hofs oordeel dat in een stituatie waarin in een zekere periode een ambtenaar een aantal giften of beloften is gedaan en deze in dezelfde periode in een aantal gevallen heeft gehandeld i.s.m. zijn ambtsplicht, zoals i.c., het niet noodzakelijk is dat één op één een verband wordt aangetoond tussen een specifieke gift of belofte en een specifiek handelen i.s.m. de ambtsplicht. ’s Hofs oordeel dat de in de bewezenverklaring genoemde bedragen giften waren ex art. 177 Sr is in aanmerking genomen de gebezigde bewijsmiddelen, met name de verklaringen van Y en Z, niet onbegrijpelijk. Het kan in cassatie niet verder worden getoetst. Ad. 3 Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet zonder meer volgen dat de in de bewezenverklaring bedoelde belofte is gedaan met het bewezenverklaarde oogmerk. De HR leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. Aangezien in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft dit niet tot cassatie te leiden.
De uitspraak op rechtspraak.nl