HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2077
Vie d’Or. Geschil tussen de Verzekeringskamer (thans DNB) en een stichting ter behartiging van de gedupeerde voormalige polishouders van de levensverzekeringsmaatschappij Vie d’Or over de (verklaring voor recht tot) aansprakelijkheid van de Verzekeringskamer uit onrechtmatige daad wegens tekortschieten in de wettelijke taak van toezichthouder in de zin van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf – niet tijdig een stille bewindvoerder als bedoeld in art. 34 Wtv benoemen – voor de schade die deze polishouders door de uiteindelijke deconfiture van Vie d’Or hebben geleden; relativiteitsvereiste; onrechtmatigheid, maatstaf; beleids- en beoordelingsvrijheid van toezichthouder bij uitoefening van wettelijke bevoegdheden, marginale toetsing; causaal verband; hoofdelijke aansprakelijkheid, schadevergoeding in geld, toewijsbaarheid verklaring voor recht (art. 3:305a lid 3 BW); vergoeding aan stichting van buitengerechtelijke kosten tot vaststelling aansprakelijkheid, redelijke uitleg art. 3:305a en art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW, maatstaf, kosten tuchtprocedure géén redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 401a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 6:96 BW6
- Artikel 6:163 BW6
- Artikel 3:305a BW3
- Artikel 12 Wtv
- Artikel 18 Wtv
- Artikel 19 Wtv
- Artikel 28 Wtv
- Artikel 29 Wtv
- Artikel 31 Wtv
- Artikel 32 Wtv
- Artikel 33 Wtv
- Artikel 34 Wtv
- Artikel 37 Wtv
- Artikel 38 Wtv
- Artikel 39 Wtv
- Artikel 66 Wtv
- Artikel 70 Wtv
- Artikel 80 Wtv