HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6094

1. Ontvankelijkheid in cassatie; verontschuldigbare termijnoverschrijding. 2. Aanwezigheidsrecht in appèl; veroordeling bij verstek na fout in bijsluiter bij dagvaarding. Vooropgesteld dient te worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van cassatie door verdachte, zoals i.c., betekent in de regel dat hij niet in dat cassatieberoep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan worden gedacht aan vóór het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit. In deze zaak doet zich een dergelijke bijzondere omstandigheid voor. Gelet op de brief van de A-G bij het hof kan er in cassatie van uitgegaan worden dat de daarin bedoelde bijsluiter was gevoegd bij de dagvaarding voor de terechtzitting in appèl van 22-7-04. Verdachte mocht afgaan op de inhoud van die bijsluiter en op grond daarvan verwachten dat – in het geval dat het hof de ovj in zijn appèl ontvankelijk zou achten - hem een oproeping voor een nadere terechtzitting zou worden toegestuurd. E.e.a. heeft ertoe geleid dat verdachte die ervan mocht uitgaan dat zijn zaak op 22-7-04 niet inhoudelijk zou worden behandeld eerst op 11-1-05 beroep in cassatie heeft ingesteld, nadat hij op 7-1-05 een uitnodiging van de reclassering had ontvangen in verband met de executie van de door het hof opgelegde werkstraf. Het cassatieberoep is derhalve ontvankelijk. Ad 2. O.g.v. voormelde omstandigheden kan niet worden aangenomen dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in appèl aanwezig te zijn. Gelet op art. 6.1 EVRM dient verdachte de mogelijkheid te hebben om zijn zaak alsnog in appèl in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen