HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4824

Voor een veroordeling t.z.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is - voorzover hier van belang - vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen (HR NJ 2005, 448). Het hof heeft geoordeeld dat de door verdachte jegens verbalisanten X en Y gedane uitlatingen (“Vuile klootzakken als ik jullie weer tegenkom schiet ik jullie door de kop.” ”Jullie gaan eraan.”) onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij hen de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering, ook niet in het licht van de tweede volzin van art. 359.2 Sv. Daarbij verdient opmerking dat de aan het pv van de appèlzitting gehechte pleitnota weliswaar inhoudt dat verdachte kenbaar “stomdronken was en niet met hem te spreken viel”, maar ook dat “de aan beide verbalisanten nageroepen woorden op zichzelf genomen voldoende zijn om bij de bedreigden de redelijke vrees te doen ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen”.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen