HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2386
Beklag door Stichting Thuiszorg tegen beslag op medisch consultatiebureaudossier onder die stichting t.b.v. strafzaak tegen gezinsvoogdes n.a.v. gewelddadige dood 3-jarig meisje. 1. Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Ex art. 98.1 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning ex art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De Rb heeft in cassatie onbestreden vastgesteld dat hier geen sprake is van geschriften die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Het verschoningsrecht van o.m. de arts is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook t.a.v. datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel samen te vatten. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden – en derhalve van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden zware motiveringseisen. 2. De Rb heeft onderzocht of er sprake is van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij heeft de Rb de volgende factoren van belang geacht: a) de omstandigheid dat de aanleiding voor het strafrechtelijke onderzoek is gelegen in een zeer ernstig feit, t.w. de gewelddadige dood van een 3-jarig meisje; b) de omstandigheid dat n.a.v. de dood van het meisje grote ophef is ontstaan, m.n. ook wat betreft de rol van de hulpverleningsinstanties; en c) de omstandigheid dat de gegevens waarop de inbeslagneming van het dossier is gericht van groot belang zijn voor het aan de dag brengen van de waarheid omtrent het functioneren van verdachte als gezinsvoogdes. Het oordeel van de Rb dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld die ertoe behoren te leiden dat het inbeslaggenomen medisch dossier bij de stukken van het geding wordt gevoegd, is ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen: (i) dat het hier niet gaat om een tegen de verschoningsgerechtigde bestaande verdenking; (ii) de aard en omvang van de gegevens, die met doorbreking van het verschoningsrecht in de strafprocedure zouden worden ingebracht; (iii) de omstandigheid dat hier sprake is van verdenking van de misdrijven van de art. 307 dan wel 308 jo. 309 Sr, in de context waarvan m.n. van belang is de frequentie en inhoud van de contacten tussen de arts van het consultatiebureau en verdachte, terwijl (iv) de Rb onvoldoende ervan blijk heeft gegeven te hebben onderzocht de vraag of de relevante gegevens niet op andere wijze konden worden verkregen, mede in het licht van hetgeen namens klaagster is aangevoerd en voorgesteld en het verhandelde in raadkamer, in welk verband niet zonder meer begrijpelijk is het oordeel van de Rb “dat in het licht van het bovenstaande een geclausuleerde kennisname van het dossier meer vragen zal opwerpen en derhalve in onvoldoende mate zal bijdragen aan het aan het licht brengen van de waarheid”.
De uitspraak op rechtspraak.nl