HR 25 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1628
1. Uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking ex art. 322 Sr. 2. Voor valsheid in geschrift ex art. 225.1 Sr is enig gebruik van het geschrift niet vereist. Ad 1. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen had verdachte de desbetreffende gelden onder zich omdat hij in zijn hoedanigheid van bezoldigd bestuurder van de ACP door zijn werkgever (ACP) als beheerder van die gelden was aangesteld. ‘s Hofs oordeel dat die hoedanigheid van beheerder zozeer verknocht was met zijn dienstbetrekking bij de ACP, dat kan worden gezegd dat verdachte die gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had ex art. 322 Sr is – ook gelet op de overige inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen – onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 2. Het ten onrechte ontbreken van een uitdrukkelijke met redenen omklede beslissing op het verweer dat van valsheid in geschrifte geen sprake kan zijn als het geschrift de boekhouding niet heeft verlaten, behoeft i.c. niet tot cassatie te leiden omdat het hof het verweer slechts had kunnen verwerpen. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 225.1 Sr. Bestanddeel daarvan is “het oogmerk om het (geschrift) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken”. De opvatting dat het begrip valsheid in geschrift ex art. 225.1 Sr enig gebruik van het geschrift veronderstelt, is onjuist. Het enkele valselijk opmaken of vervalsen van een tot bewijs van enig feit bestemd geschrift met bedoeld oogmerk is voldoende om die gedraging als valsheid in geschrift aan te merken.
De uitspraak op rechtspraak.nl