HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9380
Antilliaanse zaak. Medeplegen voorhanden hebben van vuurwapens. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat (i) verdachte en zijn mededaders het plan hebben opgevat om onder meer m.b.v. vuurwapens een beroving te plegen, althans geld te innen, ter voorbereiding waarvan zij het appartement hebben betrokken dat was gelegen onder het appartement waarin de te beroven personen woonachtig waren, (ii) in het appartement waar verdachte en zijn mededaders zich bevonden op een tafel verschillende vuurwapens lagen, waaronder een lang geweer en een zwart vuistvuurwapen, terwijl een van verdachtes mededaders in dat appartement voorts een zilverkleurig vuurwapen bij zich had, en (iii) dat vervolgens is besloten om de deur in te trappen van het bovengelegen appartement op een moment dat de bewoners van dat appartement weg waren, waarbij verdachte en zijn mededaders voorzien van vuurwapens de trap naar het bovengelegen appartement hebben beklommen, doch dat, toen de bewoners onverwacht snel terugkwamen een schietpartij is gevolgd waarbij over en weer vele schoten zijn gelost. In aanmerking genomen dat de in de bewezenverklaring genoemde vuurwapens kennelijk een belangrijk onderdeel vormden van het door verdachte en zijn mededaders opgevatte plan, hebben het GEA en het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, kunnen oordelen dat verdachte ook wat betreft het voorhanden hebben van die wapens zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben van die vuurwapens. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl