HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353
1. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat verdachte en zijn mededaders ook in de - aan de tenlastegelegde periode voorafgaande - periode van 3-3-00 tot 1-9-00 facturen valselijk hebben opgemaakt. De HR neemt aan dat door een kennelijke vergissing van het hof in de bewezenverklaring als aanvangsdatum is ver-meld 3-3-00 i.p.v. 1-9-00. HR leest bewezenverklaring met herstel van deze misslag. 2. De keuze van de factoren die - na bewezenverklaring van het feit - voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Geen rechtsregel belet de rechter daarbij ook de opstelling van verdachte te betrekken. Het oordeel dat verdachte geen enkel inzicht heeft getoond in de ernst van de door hem begane strafbare feiten en daarvoor kennelijk ook geen verantwoordelijkheid neemt, kan verder, als van feitelijke aard, in cassatie niet met vrucht worden bestreden.