HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8103
1. Grondslagverlating. 2. Vordering benadeelde partij niet van eenvoudige aard. Ad 1. Ex art. 350 jo. 415 Sv dient de rechter ook in appèl te beraadslagen op de grondslag van de tenlastelegging. De tenlastelegging strekt er daarbij toe voor de procesdeelnemers – zowel voor OM, rechter als verdachte en eventueel benadeelde partij – de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen (HR NJ 1996, 126 en 127). Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte heeft bemiddeld t.z.v. het aantrekken van gelden “van het publiek”. Het hof heeft daarbij uitdrukkelijk geen beslissing genomen over diverse in de tenlastelegging opgenomen alternatieven t.a.v. degenen van wie gelden zouden zijn aangetrokken, welke alternatieven niet subsidiair ten laste waren gelegd. Het hof heeft aldus i.s.m. art. 350 Sv niet beslist op de grondslag van de tenlastelegging. Ad 2. Het hof heeft overwogen dat t.a.v. de vorderingen van de benadeelde partijen vragen rijzen over o.m. de causaliteit, de hoogte van de vorderingen en de mogelijke eigen schuld van de benadeelden. In het licht daarvan is ‘s hofs oordeel onjuist noch onbegrijpelijk dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering aangezien die vorderingen niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl