HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5719
1. Oplichting; a. listige kunstgrepen; b. valse naam. 2. Oogmerk criminele organisatie; a. oplichten van personen toereikend gemotiveerd; b. opzetheling ontoereikend gemotiveerd; vernietiging met terugwijzing. Ad 1a. Aangaande listige kunstgrepen eist de wet niet meer dan dat het slachtoffer daardoor in concreto is bedrogen. Daarbij komt het aan op alle omstandigheden van het geval, de persoonlijkheid van het slachtoffer daaronder begrepen. Gelet op de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende manier waarop verdachte en zijn mededader X hebben bewogen tot afgifte van geld, wetende dat het ging om “een oudere, eenzame man die de consequenties van zijn handelen niet meer voldoende overziet”, getuigt ’s hofs oordeel dat zij listige kunstgrepen ex art. 326 Sr hebben aangewend en dat dit oplichting oplevert, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ad 1b. De bewezenverklaring, voorzover inhoudende dat X tot de afgifte van geld is bewogen doordat verdachte en zijn mededaders een valse naam hebben aangenomen, kan niet worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. HR spreekt om doelmatigheidsredenen verdachte alsnog vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging. Vrijspraak van dit onderdeel van ondergeschikt belang van de tenlastelegging doet geen afbreuk aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd. Ad 2a. Het hof heeft het bewezenver¬klaarde “oplichten van personen" ontleend aan dezelfde bewijsmiddelen als het heeft gebezigd voor het bewijs van oplichting. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. Ad 2b. De gebezigde bewijsmiddelen houden niets in waaruit valt af te leiden dat de organisatie het plegen van opzetheling tot oogmerk had.
De uitspraak op rechtspraak.nl