HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4676

1. Afwijzing verzoek tot uitwerking van pv’s eerdere terechtzittingen vóór vastgestelde datum pleidooi en requisitoir, althans tot aanhouding onderzoek teneinde eerst de pv’s te voltooien. 2. Geen grondslagverlating. Tenlastelegging: medeplegen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, al dan niet als bedoeld in art. 1.4 Opiumwet, gevolgd door nadere feitelijke omschrijving na het woord “immers”. Bewezenverklaring: medeplegen binnen het grondgebied van Nederland brengen cocaïne, vrijspraak van 1.4 Opiumwet en feitelijke omschrijving na “immers”. Ad 1. Art. 327 Sv houdt in dat het pv van de terechtzitting – ook indien het onderzoek één of meermalen is onderbroken en afgezien van het geval van schorsing (art. 281.4 Sv) – eerst wordt opgemaakt na sluiting van het onderzoek. Uit art. 365.3 Sv volgt dat verdachte en raadsman daarvan eerst kennis kunnen nemen nadat de uitspraak is ondertekend. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat verdachte of diens raadsman door de omstandigheid dat de pv’s niet vóór het in art. 327 Sv vereiste tijdstip beschikbaar waren in enig opzicht is belet datgene naar voren te brengen wat in het belang van de verdediging kon zijn, geeft de afwijzing van de verzoeken geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, meer in het bijzonder niet omtrent art. 6.3.b EVRM en art. 14 IVBPR, terwijl de desbetreffende oordelen toereikend zijn gemotiveerd. Ad 2. Het hof heeft in de bewezenverklaring niet opgenomen de telkens in de tenlastelegging voorkomende passage “al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet”. Het hof heeft de tenlastelegging kennelijk aldus verstaan dat hetgeen daarin telkens na het woord “immers” is opgenomen een nadere omschrijving behelst van bedoeld, telkens alternatief tenlastegelegde handelen i.s.m. art. 1.4 Opiumwet. Die uitleg van de tenlastelegging is met haar bewoordingen niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Van die uitleg uitgaande heeft het hof, door bewezen te verklaren dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen op de bewezen verklaarde tijdstippen de desbetreffende hoeveelheden cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en vrij te spreken van het handelen i.s.m. art. 1.4 Opiumwet – met inbegrip van de nadere uitwerking daarvan in de passages volgend op “immers” – de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen