HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3943
Antilliaanse uitleveringszaak. Het NAUB kent niet een bepaling als art. 10.2 UW inhoudende dat de uitlevering niet wordt toegestaan indien de gevolgen daarvan voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn i.v.m. diens slechte gezondheidstoestand. De rijkswetgever heeft zoveel mogelijk willen aansluiten bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht en m.n. ook bij de jurisprudentie van de HR (HR LJN AS8860). Art. 7 NL-VS Uitleveringsverdrag heeft dezelfde strekking als art. 10.2 UW. De HR heeft geoordeeld dat art. 10.2 UW zich niet richt tot de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist, maar tot de MvJ (HR NJ 1980, 450 en NJ 1986, 298). De beslissing over de vraag of de uitlevering behoort te worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon psychisch uitleveringsongeschikt zou zijn, komt niet toe aan het hof, maar is voorbehouden aan de Gouverneur van de Nederlandse Antillen.
De uitspraak op rechtspraak.nl