HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9028
Antilliaanse vervolgingsuitlevering naar Amerika. 1. Als maatstaf bij de toepassing van art. 9.3.b Nederlands-Amerikaans uitleveringsverdrag heeft te gelden of, indien de opgeëiste persoon voor een Nederlands-Antilliaanse rechter zou zijn vervolgd, het niet hoogst onwaarschijnlijk zou zijn dat deze, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de tenlastegelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten (HR NJ 1994, 266 en HR LJN AT4110). 2. De feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, leveren naar Antilliaans recht deelneming aan een criminele vereniging ex art. 146 Sr NA op. In aanmerking genomen dat deze bepaling strafbaar stelt de deelneming aan een vereniging die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en niet eist dat misdrijven reeds zijn gepleegd en evenmin dat indien dat wel het geval is geweest, de deelnemer aan de vereniging rechtstreeks “betrokken” is geweest bij die misdrijven, is i.c. niet van belang het antwoord op de vraag of de opgeëiste persoon in concreto betrokken is geweest bij de in de Counts omschreven import van drugs. HR doet in zoverre wat het hof had behoren te doen en verklaart de uitlevering toelaatbaar wat betreft de feiten waarvoor het hof deze ontoelaatbaar had verklaard. 3. HR oordeelt in slotsom geen grond aanwezig voor ambtshalve cassatie en overweegt daartoe dat er in cassatie niet over is geklaagd dat de bestreden einduitspraak mede is gewezen door een rechter die niet heeft meegewerkt aan de tussenbeslissing waarop de einduitspraak voortbouwt, en dat deze handelwijze i.c., gelet op de wijze waarop het onderhavige uitleveringsverzoek is behandeld en hetgeen in dat kader door en namens de opgeëiste persoon naar voren is gebracht, niet noopt tot gebruikmaking van de bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen.
De uitspraak op rechtspraak.nl