HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8328

Antilliaanse zaak. 1. Een verzoek ex art. 318.3 SvNA kan worden afgewezen a.d.h.v. de in lid 4 van dat artikel vermelde maatstaf, te weten dat het achterwege blijven van de dagvaarding van een getuige redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van verdachte om de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met getuigen à charge. Het hof heeft die maatstaf niet miskend en de afwijzing van het getuigenverzoek is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat zij blijkens de toelichting op het verzoek gehoord zouden moeten worden over de vraag of het bedrijf X de in de tenlastelegging bedoelde giften heeft gedaan teneinde verdachte te bewegen om te handelen i.s.m. zijn ambtsplicht, terwijl voor de toepassing van art. 379 SrNA de subjectieve bedoeling van de gever niet van belang is (HR NJ 1947, 170). Dat de giften zouden zijn gedaan in het kader van “fundraising” is evenmin relevant. 2. Het hof heeft geoordeeld dat de aan art. 379 SrNA ontleende term 'in strijd met zijn plicht' mede feitelijke betekenis heeft. Dat oordeel, waarin besloten ligt dat de dagvaarding wat betreft de opgave van het feit voldoet aan art. 285 SvNA, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen