HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2708
Grondslagverlating. De wetgever heeft v.w.b. het verbod om een motorrijtuig te besturen of te doen besturen na een vordering tot overgifte van het rijbewijs dan wel gedurende de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd en nog niet is teruggegeven, in art. 9.4 en 9.7 jo. art. 176.3 WVW 1994 voorzien in twee onderscheiden strafbaarstellingen, al naar gelang de (in)vordering plaatsvond ex art. 130 WVW 1994 dan wel ex art. 164 WVW 1994. Daarbij is de desbetreffende wettelijke grondslag telkens als bestanddeel van de de delictsomschrijving opgenomen. Het hof heeft i.c. de grondslag van de tenlastelegging verlaten door het tenlastegelegde bewezen te verklaren met weglating van de tenlastegelegde omstandigheid dat de invordering was gebaseerd op art. 164 WVW 1994.
De uitspraak op rechtspraak.nl