HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1772
1. De opvatting dat art. 3 (oud) Regeling wapens en munitie de eisen v.w.b. vorm, afmeting en kleur van het op een vuurwapen gelijkend voorwerp cumulatief stelt in die zin dat bijv. bij enige afwijking in de kleur, zoals i.c., die bepaling niet van toepassing is en geen sprake is van sprekende gelijkenis als bedoeld in die bepaling, is gelet op de kennelijke strekking van die bepaling – het weren van voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen – onjuist. 2. ’s Hofs oordeel dat de omstandigheid dat een gekleurde ring om de loop van het voorwerp en/of een gekleurde stop in het uiteinde van de loop van het voorwerp is aangebracht – in welk oordeel besloten ligt dat de voorwerpen voor het overige de kleur van de originele wapens hadden – i.c. ondergeschikt is aan de aspecten van vorm en afmeting en er niet aan in de weg staat dat sprake is van voorwerpen die v.w.b. hun vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens ex art. 3.b, van voormelde Regeling, is onjuist noch onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl