HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7062
Art. 285 Sr. Voor een veroordeling t.z.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. I.c. is bewezenverklaard dat verdachte twee hoofdagenten heeft toegevoegd: "die kankerwouten, die teringlijers moeten ze allemaal afmaken". Als het hof heeft geoordeeld dat deze uitlatingen op zichzelf reeds van dien aard zijn dat zij bij de hoofdagenten een dergelijke vrees konden doen ontstaan, is dat oordeel gelet op de algemene bewoordingen van die uitlatingen niet zonder meer begrijpelijk. Als het hof die uitlatingen niet op zichzelf heeft beschouwd, maar heeft geoordeeld dat de omstandigheden waaronder zij zijn gedaan meebrengen dat van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven sprake is, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu de gebezigde bewijsmiddelen omtrent zodanige omstandigheden niets inhouden.