HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5096

Verlof ex art. 552p.2 Sv en toepassing van art. 23.5 en 24.5 Sv. 1. Wanneer toepassing wordt gegeven aan art. 23.5 en 24.5 Sv, vangt de termijn van 14 dagen voor instellen van cassatie aan na toezending van de beschikking. Nu de beschikking op 28-1-04 aan de belanghebbende is uitgereikt - hetgeen in dit geval op één lijn kan worden gesteld met toezending - is het cassatieberoep van 10-2-04 ontvankelijk. 2. De opvatting dat art. 23.5 Sv slechts is geschreven voor de situatie dat een betrokkene in het belang van het onderzoek vooralsnog onkundig dient te blijven van de (beoogde) toepassing van dwangmiddelen, zodat dit voorschrift hier niet toepasselijk is, aangezien de dwangmiddelen reeds waren toegepast, is onjuist. 3. Indien toepassing is gegeven aan art. 24.5 geldt het vereiste van onverwijlde betekening ex art. 552d.1 Sv niet. 4. Ook indien de klacht feitelijke grondslag heeft dat de inbeslaggenomen stukken aan de verzoekende staat zijn toegezonden voordat de beschikking onherroepelijk was geworden leidt dat niet tot cassatie. Van inwilliging van een rechtshulpverzoek als het onderhavige kan slechts worden afgezien bij belemmeringen van wezenlijke aard die voortvloeien uit de wet of het toepasselijke verdrag, of indien door inwilliging wordt gehandeld i.s.m. fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (HR NJ 2002, 580). 5. Art. 24.5 Sv bevat een uitzondering ex art. 557.1 Sv op de in de laatstgenoemde bepaling vervatte hoofdregel dat geen beslissing mag worden ten uitvoer gelegd zolang daartegen nog een gewoon rechtsmiddel open staat.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen