HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3719
Fraude bij aangifte IB. 1. Het hof heeft het opzet van verdachte op het niet vermelden van inkomsten voortvloeiend uit privé-gebruik van de dienstauto afgeleid uit de omstandigheid dat verdachte op de hoogte was van de fiscale aspecten van het gebruik van de dienstauto en dat hij niettemin heeft nagelaten in zijn aangifte van dat gebruik melding te maken. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk. 2. Onderlinge afspraken tussen verdachte en zijn werkgever, waarop verdachte zich beriep, over de fiscale consequenties van de afvloeiingsregeling doen niet af aan verdachtes eigen verplichting voor de inkomstenbelasting aangifte te doen van alle genoten inkomsten. 3. 's Hofs oordeel dat art. 42a Wet IB 1964 i.c. geen grondslag biedt voor toepassing van het huurwaardeforfait (verdachte ontving inkomsten in natura voor het stallen van maaimachines) is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de schuur door verdachte werd verhuurd, in welk oordeel besloten ligt dat de schuur niet aan verdachte ter beschikking stond en dus geen deel meer uitmaakte van diens eigen woning. 's Hofs overweging dat het betoog van de raadsman geen pleitbaar standpunt is moet, gelet op het gevoerde verweer, aldus worden verstaan dat het hof daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat het beroep van verdachte op art. 42a Wet IB 1994 faalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl