HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AQ8552
1. Ontvankelijkheid van cassatieberoep tegen tussenarrest. 2. Inhaaldagvaarding en ontvankelijkheid OM. Ad 1. Het hof heeft, na het wijzen van een tussenarrest, op een nadere terechtzitting in gewijzigde samenstelling toepassing gegeven aan art. 322.3 Sv en het onderzoek niet opnieuw aangevangen, maar hervat, zodat moet worden aangenomen dat de bestreden uitspraak mede berust op de beslissingen in het tussenarrest. Verdachte is derhalve ontvankelijk in het beroep. Ad 2. Ingevolge het systeem van het WvSv geldt in beginsel de regel dat, vóórdat op de grondslag van de inleidende dagvaarding onherroepelijk is beslist, de OvJ zich behoort te onthouden van het doen uitgaan van een tweede dagvaarding t.z.v. hetzelfde feit. Deze regel lijdt uitzondering indien de dagvaarding nietig is verklaard wegens een betekeningsgebrek (HR NJ 1985, 842). I.c. is a) de zaak op de voor 4-4-02 uitgebrachte (derde) inleidende dagvaarding, na aanhouding op die datum, eerst inhoudelijk behandeld op 14-5-02; b) op 14-5-02 de uitgebrachte (eerste) dagvaarding voor 26-3-02 ingetrokken, en c) het op 14-5-02 n.a.v. de tegen 2-4-02 uitgebrachte (tweede) dagvaarding gegeven (eind)vonnis van de rb houdende niet-ontvankelijkverklaring van de OvJ onherroepelijk geworden. Het hof heeft terecht geoordeeld dat verdachte door het uitbrengen van de dagvaarding tegen de terechtzitting van 4-4-02 niet is geschaad in het belang dat voormelde regel beoogt te waarborgen.
De uitspraak op rechtspraak.nl