HR 19 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9701

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag onder ander (beslagene) dan klagers t.z.v. verdenking van overtreding van Opiumwet, waarna strafrechter (in strafzaak tegen beslagene) geldbedrag (fl. 17.242,35) verbeurd verklaart en beslagene komt te overlijden. Rb heeft klagers, die stellen dat zij fl. 16.500 aan beslagene hebben geleend, n-o verklaard in hun klaagschrift, nu onherroepelijke beslissing van strafrechter in de weg staat aan beoordeling van klaagschrift. Kunnen klagers worden aangemerkt als belanghebbenden a.b.i. art. 552a en 552b Sv? Gelet op de in klaagschrift ingenomen stelling (geldbedrag geleend aan beslagene) kunnen klagers niet worden aangemerkt als belanghebbenden a.b.i. art. 552a dan wel 552b Sv. Klagers hebben immers door dit geldbedrag te lenen aan ander slechts vordering verkregen tot terugbetaling van bedrag van dezelfde hoogte, zodat niet gezegd kan worden dat zij aanspraak kunnen maken op afgifte van inbeslaggenomen geldbedrag (vgl. HR:2003:AF4253). Uit voorgaande volgt dat Rb de klagers terecht n-o heeft verklaard in hun klaagschrift, maar op onjuiste gronden. Nu beslissing Rb juist is, behoeven middelen, waarin wordt geklaagd dat Rb het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift ten onrechte niet heeft opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv en waarin voorts wordt geklaagd over verzuimen bij behandeling van klaagschrift, verder geen bespreking. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen