HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1501

Profijtontneming, w.v.v. uit verkoop van hennep. 1. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM in zijn vordering. 2. Verzoek tot nader onderzoek of aanhouding van onderzoek ttz. Ad 1. Rechter die over vordering tot ontneming van w.v.v. moet oordelen is gebonden aan oordeel van rechter in hoofdzaak. Dit laat evenwel onverlet dat aan rechter oordelend op vordering tot ontneming van w.v.v zelfstandig oordeel toekomt m.b.t. alle verweren die betrekking hebben op vaststelling van bedrag waarop w.v.v. kan worden geschat. Hof heeft kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat verweren - ook die welke voor het eerst in ontnemingsprocedure naar voren worden gebracht - rechtstreeks betrekking dienen te hebben op ontnemingsvordering. Aldus verstaan geeft ’s Hofs oordeel geen blijk van onjuiste rechtsopvatting. In dit oordeel en motivering daarvan besloten liggend oordeel dat hier geen sprake is van een verweer dat rechtstreeks betrekking heeft op ontnemingsvordering en kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van OvJ, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. ‘s Hofs oordeel dat er geen noodzaak bestond onderzoek ttz. aan te houden, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen