HR 24 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1433

Beklag, beslag (met onduidelijke titel) op goederen onder klaagster en een ander. OM-cassatie. Rb heeft aanhoudingsverzoek OvJ afgewezen op de grond dat OM reeds meerdere malen tevergeefs in de gelegenheid is gesteld dossier te completeren en heeft beklag gegrond verklaard, omdat zij o.b.v. voorhanden zijnde stukken niet kan beoordelen of leggen van beslag rechtmatig is geschied of strafvorderlijk belang nog is gediend bij voortduring van beslag en Rb zich evenmin oordeel kan vormen over mate van waarschijnlijkheid dat zij (later oordelend) tot voordeelsontneming tegen klaagster zal komen. 1. Kon Rb aanhoudingsverzoek OvJ afwijzen, hoewel OvJ in raadkamer te kennen heeft gegeven dat hij over kopie van door financiële recherche gemaakt rapport (ter beantwoording van de door Rb gestelde vragen) beschikte en dat hij Rb en verdediging in raadkamer een afschrift daarvan kon verstrekken? Art. 23.4 Sv. 2. Heeft Rb ten onrechte geoordeeld dat beslag t.a.v. klaagster onrechtmatig is? Ad 1. Bij gedingstukken bevindt zich niet p-v van onderzoek in raadkamer, zodat het ervoor moet worden gehouden dat opmaken daarvan is verzuimd. Dit verzuim heeft betrekking op een zo wezenlijke grondslag van procedure in raadkamer, dat het nietigheid van onderzoek meebrengt. Daarover wordt evenwel niet geklaagd. Door ontbreken van p-v van onderzoek in raadkamer is het niet mogelijk na te gaan of voor uitgangspunt van klachten van OvJ feitelijke grondslag aanwezig is. Maar ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van juistheid van hetgeen OvJ als uitgangspunt heeft aangevoerd, zijn daarop gerichte klachten ongegrond. Rb heeft kennelijk geoordeeld dat het niet langer strookte met beginselen van goede procesorde als beslissing op beklag nog langer zou uitblijven en dat het bij onderzoek in raadkamer alsnog overleggen van rapport waarvan verdediging geen kennis had kunnen nemen niet in overeenstemming viel te brengen met die beginselen. Dit zowel op belang van goede strafvordering als op dat van klaagster afgestemde oordeel, de weging en waardering van welke belangen is voorbehouden aan rechter die over feiten oordeelt, geeft geen blijk van onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk. Ad 2. Klacht gaat uit van verkeerde lezing van bestreden beschikking en mist dus feitelijke grondslag. Uit beschikking Rb volgt immers dat Rb niet heeft geoordeeld dat beslag onrechtmatig is. Volgt verwerping. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen