HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1191

Medeplegen (poging) invoer en uitvoer cocaïne (art. 2.A Opiumwet), deelname aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr), valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr) en overtredingen WWM. Fenomeen van kroongetuige. 1. HR wijdt voorafgaande beschouwingen aan toelaatbaarheid van kroongetuige. 2. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM, omdat afspraken met kroongetuigen onrechtmatig zijn. 3. Verzoek tot kennisneming van “conceptverbalen” van verklaringen van kroongetuigen. 4. Beslissingen hof op eerdere tz. m.b.t. onderzoek naar betrouwbaarheid en rechtmatigheid van verkrijging van verklaringen van kroongetuige. 5. Verzoek tot horen OvJ als getuige. 6. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM, omdat infiltratie-actie in strijd is met richtlijnen. 7. Verzoek om afschriften van alle p-v’s die betrekking hebben op infiltratie-actie te mogen ontvangen. 8. Verweer dat bij politie afgelegde verklaringen van getuige niet voor bewijs mogen worden gebruikt, omdat deze onrechtmatig zijn verkregen. 9. Toepasselijkheid Nederlandse strafwet. Heeft hof verzuimd te onderzoeken of is voldaan aan art. 5.1.2 Sr? 10. Hoogte opgelegde geldboete (1 miljoen gulden). Kon hof deze boete slechts met toepassing van art. 12 Opiumwet opleggen? Verdachte n-o in beroep v.zv. gericht tegen beslissingen op eerdere tz., vermelding art. 12 Opiumwet als wettelijk voorschrift waarop strafoplegging berust en verwerping voor het overige.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen