HR 19 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1045

Rijden onder invloed, art. 8.2.b WVW 1994. Afstand van rechtsmiddel en onderzoeksplicht m.b.t. verschoonbaarheid van dwaling van verdachte t.a.v. betekenis van haar verklaring, art. 381.1 Sv. Hof heeft verdachte, die niet werd bijgestaan door raadsman, n-o verklaard in haar hoger beroep omdat zij ttz. Pr afstand heeft gedaan van rechtsmiddelen. Kon hof oordelen dat sprake is van (rechtsgeldige) afstand a.b.i. art. 381.1 Sv, nu verdachte afstand heeft gedaan van recht h.b. in te stellen “terwijl zij niet begreep wat dat betekende”? HR (ambtshalve): Met zijn overwegingen heeft hof zijn in zijn uitspraak besloten liggende oordeel dat gedane afstand kan gelden als afstand a.b.i. art. 381.1 Sv, doen steunen op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen. In aanmerking genomen ‘s hofs vaststelling dat verdachte afstand heeft gedaan van recht h.b. in te stellen “terwijl zij niet begreep wat dat betekende”, waarin verdachtes dwaling omtrent betekenis van haar verklaring houdende afstand van beroep besloten ligt, was hof immers genoodzaakt nader onderzoek in te stellen naar vraag of deze dwaling gelet op omstandigheden van geval verschoonbaar was. Daarbij verdient opmerking dat, in dit licht beschouwd enkele door hof als redengevend aangemerkte omstandigheid dat verdachte zich ttz. (in eerste aanleg) niet door raadsman heeft doen bijstaan, niet beslissend kan zijn. Volgt vernietiging en verwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen