HR 12 mei 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC2505

Faillissementsfraude. Medeplichtigheid aan bedrieglijke bankbreuk door gelden aan failliete boedel te onttrekken (art. 341 Sr). 1. Bewijsklacht. Verweer dat financiële activiteiten van persoon die failliet is gegaan (A), namens wie verdachte betalingen heeft gedaan, “budgettair neutraal” voor boedel zijn, zodat geen sprake is van verkorting van rechten van schuldeisers. 2. Kon hof oordelen dat uitkering van bedrag van f 80.200 aan ander (B) leidt tot verkorting van rechten van schuldeisers in faillissement van A, als hof zou zijn uitgegaan van de door verdediging gestelde feiten? Ad 1. In aanmerking genomen de door hof blijkens gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand aangenomen feiten, is ‘s hofs bewijsvoering in het licht van het door verdachte opgeworpen verweer en verwerping daarvan ontoereikend. Met ’s hofs overweging dat niet aannemelijk is geworden dat activiteiten van A “budgettair neutraal” voor boedel waren, wordt immers niet duidelijk of hof dit verweer heeft verworpen omdat het de aan verweer ten grondslag gelegde feiten (te weten dat A na zijn faillietverklaring tweedehands auto's van ander (B) heeft gekocht en dat hij uit hoofde daarvan schuld van f 480.000 aan B had) niet aannemelijk geworden acht dan wel of hof die feiten als juist heeft aanvaard doch niettemin van oordeel is dat uitkering van bedrag van f 80.200 aan B leidt tot verkorting van rechten van schuldeisers in faillissement van A. Ad 2. HR merkt op dat dit oordeel onjuist zou zijn, daar uit deze feiten zou volgen dat, indien verdachte het bedrag van f 80.200 aan curator in faillissement van A zou hebben overhandigd, boedel tot dit bedrag zou zijn gebaat, waardoor er ex art. 24 Fw tot hetzelfde bedrag een boedelschuld aan B zou zijn ontstaan, door voldoening waarvan rechten van schuldeisers in faillissement niet kunnen zijn verkort. Volgt vernietiging en verwijzing. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen