HR 26 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1172

Doen plegen van valsheid in geschrift (meermalen gepleegd), art. 225.1 Sr. Betekening dagvaarding in eerste aanleg aan adres van verdachte in Frankrijk en verstekverlening, art. 7.3 EVR en art. 588.6 Sv. 1. Klacht over betekeningsgebrek m.b.t. dagvaarding in eerste aanleg in cassatie tardief. 2. Moet bij betekening van dagvaarding in e.a. rechtstreeks over de post de termijn in acht worden genomen die Frankrijk heeft gesteld in de o.g.v. art. 7.3 EVR afgelegde verklaring? 3. Aanwezigheidsrecht in h.b. Klemmende reden die verdachte belet ttz. te verschijnen zodat raadsman het woord mag voeren? Ad 1. In cassatie kan niet met vrucht voor het eerst worden geklaagd over wijze van betekening van dagvaarding in e.a. in een geval waarin raadsman van niet verschenen verdachte de gelegenheid heeft gehad betreffende klacht tegenover rechter in h.b. ttz. te uiten maar in plaats daarvan heeft medegedeeld dat verdachte sedert een jaar in Frankrijk woont en zich reiskosten niet kan permitteren. Ad 2. Door Frankrijk t.a.v. art. 7 EVR gemaakt voorbehoud, waarin eis wordt gesteld dat verzoek tot het aan verdachte betekenen van dagvaarding de Franse autoriteiten ten minste 30 dagen voor datum van tz. moet hebben bereikt, staat er niet aan in de weg dat OM zonder inachtneming van die termijn aan adres van een in Frankrijk woonachtige verdachte een afschrift van dagvaarding rechtstreeks verzendt. Ad 3. ‘s Hofs afwijzing van verzoek van raadsman om het woord te mogen voeren, is niet naar behoren met redenen omkleed. Raadsman heeft aangevoerd dat verdachte sedert een jaar in Frankrijk woont, zich reiskosten niet kan permitteren en net werk heeft, terwijl vaststaat dat verdachte in Montpellier woont en nog afgezien van verblijfkosten de kosten van een retour Montpellier-Leeuwarden beduidend zijn. Volgt vernietiging en verwijzing. CAG: anders t.a.v. betekening dagvaarding in e.a.

De uitspraak op rechtspraak.nl