HR 18 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9044

Huurrecht woonruimte. Opzegging door verhuurder wegens dringend nodig hebben voor eigen gebruik. Uit art. 7A:1623e lid 4 BW (thans art. 7:274 lid 5 sub a BW) vloeit voort dat de rechter zo nodig ambtshalve dient na te gaan of aan vergunningsvereiste van de Huisvestingswet is voldaan. Niet-ontvankelijkheid mag slechts worden uitgesproken nadat de verhuurder in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, hetgeen ook nog in hoger beroep en cassatie kan plaatsvinden. Met een vergunning kan worden gelijkgesteld een schriftelijke verklaring van B&W dat zij bereid zijn een vergunning te verlenen. “Passende woonruimte” uit art. 7A:1623 e lid 1 aanhef en onder 3o BW (thans art. 7:274 lid 1 onder c). Ook een woonruimte die in grootte, ligging of anderszins een wezenlijk ander woongenot biedt dan het gehuurde, kan passend zijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl