HR 24 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7408
Schietpartij in restaurant in Den Haag in 1979. Medeplegen moord (art. 289 Sr) en medeplegen poging tot doodslag (art. 287 Sr). 1. Is ten bezware van verdachte acht geslagen op stukken die ttz. zijn voorgelezen zonder dat deze voor hem zijn vertolkt? 2. Heeft hof (nadat onderzoek opnieuw was aangevangen) verzuimd tolk in Chinese taal opnieuw te beëdigen? 3. Moet getuige, die reeds op eerdere tz. is beëdigd en gehoord, na voorzetting van onderzoek ttz. opnieuw worden beëdigd? 4. Kon hof aannemen dat verdachte zijn aanvankelijke verzoek tot horen van ‘alle getuigen’ had ingetrokken? 5. Kan uit p-v van tz. in h.b. worden afgeleid dat getuige belofte a.b.i. art. 284.2 Sv heeft afgelegd? 6. Is door getuige overgelegde foto aan verdachte getoond? 7. Heeft hof voldoende gemotiveerd afgezien van verhoor van ttz. in h.b. verschenen getuige, nu deze heeft geweigerd eed of belofte af te leggen en op vragen te antwoorden? 8. Heeft hof aan de voor bewijs gebruikte verklaring van getuige een uitleg gegeven die onverenigbaar is met afgelegde verklaring? 9. Bevatten voor bewijs gebruikte verklaring van getuige en relazen van verbalisanten meningen, gissingen en/of conclusies? 10. Redengevendheid van de voor bewijs gebruikte verklaringen. 11. Innerlijke tegenstrijdigheid van bewijsmiddelen. Ad 1. Blijkens p-v van tz. in eerste aanleg heeft voorzitter Rb de korte inhoud medegedeeld van stukken, terwijl p-v m.b.t. “statements of witness” voorts nog vermeldt dat zij verklaring van medeverdachte inhouden. Mede gelet op feit dat deze stukken (v.zv. tot bewijs gebezigd) in vonnis in Nederlandse taal zijn weergegeven, moet worden aangenomen dat mededeling van korte inhoud ervan eveneens in Nederlands heeft plaatsgevonden. Ad 2. Blijkens p-v van tz. in hoger beroep d.d. 23-4-1981 heeft tolk haar bijstand aan onderzoek op die tz. verleend 'onder verband van de door haar in deze zaak op 9-4-1981 afgelegde belofte'. Nu het hier werkzaamheden van tolk betreft, behoeft onder deze omstandigheden het niet opnieuw nageleefd zijn van art. 307.1 Sv niet tot cassatie te leiden. Ad 3. Geen enkel wetsvoorschrift dwingt ertoe aan te nemen dat getuige die reeds bij onderzoek ttz. is beëdigd en gehoord, alvorens bij voortzetting van onderzoek op volgende zitting weer te worden gehoord, opnieuw eed als getuige zou moeten afleggen. Ad 4. Rb heeft kennelijk aangenomen (en ook kunnen aannemen) dat verdachte zijn aanvankelijk gedane verzoek had ingetrokken. Ook hof heeft kennelijk in e.a. gedaan verzoek als (stilzwijgend) ingetrokken beschouwd en ook kunnen beschouwen, zodat dit geen deel meer uitmaakte van verdachtes verklaring in h.b., die volgens p-v van tz. in h.b. zakelijk eensluidend is aan zijn in eerste instantie afgelegde verklaring. Ad 5. Met inhoud p-v van tz. in h.b. is kennelijk bedoeld tot uitdrukking te brengen dat hetgeen is vermeld omtrent inhoud van eed (die is afgelegd door getuigen) ook betrekking heeft op de door andere getuige afgelegde belofte. Ad 6. Gelet op ttz. in h.b. afgelegde verklaring van verdachte moet het ervoor worden gehouden dat voorzitter hof bij het aan verdachte voorhouden van verklaring van getuige hem tevens overgelegde foto heeft getoond. Voorts valt uit p-v van tz. in h.b. niet af te leiden dat getuige desbetreffende verklaring heeft afgelegd buiten tegenwoordigheid van verdachte. Ad 7. Hof heeft afgezien van verhoor van de ttz. verschenen getuige, omdat in redelijkheid niet kan worden verwacht dat deze getuige op zijn weigering tot afleggen van eed of belofte terug zal komen, nu straf gesteld op niet voldoen aan enige wettelijke verplichting die getuige als zodanig te vervullen heeft onvoldoende kracht zal hebben om getuige van gedachte te doen veranderen. Kennelijk heeft hof de term 'straf' gebezigd in ruime betekenis van 'sanctie', waaronder mede begrepen is gijzeling van getuige a.b.i. art. 289 Sv. Ad 8. Rb heeft verklaring van getuige tot bewijs gebezigd, na te hebben overwogen dat 'uit overige bewijsmiddelen blijkt dat schietpartij op 1-10-heeft plaatsgevonden, zodat getuige kennelijk abusievelijk 2-10-1979 heeft genoemd'. Door herstel van deze misslag heeft Rb aan verklaring niet daarmee onverenigbare uitleg gegeven. Ad 9. Gewraakte onderdelen van b.m. behelzen niets wat niet kan worden aangemerkt als mededeling van voor eigen waarneming of ondervinding vatbare feiten en omstandigheden. Ad 10. Mede gelet op inhoud van overige b.m. valt niet in te zien waarom Rb en hof desbetreffende verklaringen niet redengevend hebben kunnen achten voor bewezenverklaring. Ad 11. Rb en hof hebben kennelijk geoordeeld (en kunnen oordelen) dat steller van tll. aan verdachte heeft verweten zich te hebben schuldig gemaakt aan medeplegen van poging tot doodslag op persoon die bij justitie bekend was als A. Rb en Hof konden zulks op grond van inhoud van gebezigde b.m. ook bewezen achten, waaraan niet kan afdoen dat genoemde persoon blijkens het voor bewijs gebruikte p-v van politie in werkelijkheid anders is genaamd. B.m. die ter zake opheldering verschaffen, kunnen dan ook niet innerlijk tegenstrijdig genoemd worden. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl