HR 9 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0902
Doodslag door zijn grootmoeder met mes in haar hals te steken, art. 287 Sr. 1. Bewijsklacht opzet. Kan opzet van verdachte om zijn grootmoeder van het leven te beroven uit bewijsmiddelen volgen? 2. Kunnen gedragingen aan verdachte aan hem worden toegerekend, nu er t.g.v. cocaïnegebruik bij hem sprake was van ziekelijke storing van zijn geestvermogens? Ad 1. Uit inhoud van b.m. (in het bijzonder verklaring van verdachte) heeft hof geredelijk kunnen afleiden dat verdachte heeft gehandeld met opzet om zijn grootmoeder van het leven te beroven. Hieraan doet niet af verklaring van verdachte dat hij zijn grootmoeder verscheidene malen met mes heeft gestoken om, toen zij was begonnen te gillen, "dit gillen te doen stoppen", aangezien dat oogmerk niet onverenigbaar is met bewezenverklaard opzet om haar van het leven te beroven. Verklaring van getuige-deskundige en door hem uitgebracht psychiatrisch rapport maken dat niet anders. Hof heeft desbetreffend verweer van raadsman verworpen op gronden die deze verwerping kunnen dragen, terwijl in cassatie niet ten toets kan komen of hof terecht tot (feitelijk) oordeel is gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van zodanig ernstige geestelijke afwijking dat verdachte dientengevolge tijdens begaan van bewezenverklaarde van elk inzicht in draagwijdte van zijn gedragingen en mogelijke gevolgen daarvan verstoken was. Ad 2. O.g.v. zijn overwegingen heeft hof kunnen oordelen dat bewezenverklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, ook al was hij tijdens begaan daarvan lijdende aan paranoïde psychose t.g.v. cocaïne intoxicatie. Opvatting dat bewezenverklaarde slechts dan aan verdachte zou kunnen worden toegerekend, indien hij zou hebben "geweten of begrepen" dat hij na gebruik van cocaïne en/of heroïne in toestand kon geraken waarin hij draagwijdte van zijn handelen niet meer zou kunnen overzien, vindt geen steun vindt in het recht. Met juistheid heeft hof beslissend geoordeeld of verdachte "verwijtbaar" is komen te verkeren in toestand van ziekelijke storing van zijn geestvermogens, terwijl hof tot bevestigende beantwoording van deze vraag heeft kunnen komen o.g.v. de in zijn overwegingen vermelde, in onderlinge samenhang beschouwde omstandigheden. Volgt verwerping.