HR 16 oktober 1922, ECLI:NL:HR:1922:49

Opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken door een deel van een door oplichting verkregen postcheque te eigen bate tot zich te nemen, art. 416.2 Sr. 1. Bewijsklacht opzet. 2. Bewijsklacht t.a.v. “door misdrijf verkregen”. Is postcheque van f 3.700 door misdrijf verkregen, nu resultaat van oplichting slechts is geweest dat meer is betaald dan verschuldigd was? 3. Bewijsklacht oplichting. Bewegen tot afgifte door oplichtingsmiddel aan te wenden tegenover ander? 4. Bewijsklacht oplichting. Kan tonen van verbrande filmresten worden aangemerkt als listige kunstgreep? Ad 1. De stelling dat voor het aannemen van opzet nodig is dat verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van de schadepapieren en de schaderekening, is onjuist, nu dit niet de enige grond is waaruit het bestaan van opzet kon worden afgeleid. Ad 2. Indien oplichting heeft geleid tot afgifte van cheque van f 3.700 en niet tot afgifte van cheque tot kleiner bedrag, is eerstgenoemde cheque door misdrijf verkregen, omdat postcheque als oplichting niet was gepleegd, niet tot dat bedrag zou zijn afgegeven. Ad 3. Het bewegen tot afgifte van een goed kan ook geschieden door het aanwenden van een oplichtingsmiddel tegenover een ander dan diegene van wie afgifte wordt verwacht, mits de bedoeling om die afgifte te verkrijgen en het oorzakelijk verband tussen het oplichtingsmiddel en de afgifte vaststaan. Ad 4. Het tonen van verbrande filmresten als overblijfselen van de als verbrand opgegeven, maar in werkelijkheid niet verbrande films, kan worden aangemerkt als een listige kunstgreep in de zin van art. 326 Sr. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen