HR 8 januari 1917, ECLI:NL:HR:1917:13

Poging diefstal van een horloge met ketting van aangever (art. 310 Sr) gevolgd door mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg bestaande uit het geven van een klap tegen de mond van aangever waardoor een tand uit diens mond werd geslagen (art. 300.2 Sr). 1. Oogmerk diefstal. 2. Bewijsklacht uitvoeringshandeling diefstal. 3. Noodweer. Uitschelden voor dief aan te merken als aanranding? 4. Kan verlies van tand worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel? Ad 1. Door de vermelding in de dagvaarding dat verdachte gepoogd had weg te nemen “met het voornemen” om zich wederrechtelijk toe te eigenen is het vereiste oogmerk voldoende uitgedrukt. Ad 2. Bewijs handeling kan worden afgeleid uit in (door hof bevestigd) vonnis van Rb opgenomen getuigenverklaringen. Ad 3. Niet blijkt van een door verdachte gedaan beroep op noodweer. De bewering van verdachte de mishandeling gepleegd te hebben in drift, veroorzaakt doordat aangever hem voor dief uitschold kan niet als een beroep op noodweer gelden, nu dat geen aanranding van verdachtes lijf, goed of eerbaarheid is. Ad 4. Naast de in art. 82 Sr uitdrukkelijk genoemde gevallen kan onder zwaar lichamelijk letsel worden verstaan letsel dat een blijvend ernstig gevolg of een zeer belangrijk lichamelijk nadeel meebrengt. Tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden is het verlies van een tand niet letsel met zodanig gevolg dat het als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Volgt partiële vernietiging t.a.v. kwalificatie mishandeling en strafoplegging (HR doet zaak zelf af). CAG: anders t.a.v. zwaar lichamelijk letsel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen