Hof 's-Hertogenbosch 7 oktober 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:2799

Het hof stelt voorop dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs heeft vervoerd onder omstandigheden een gelijksoortige afweging dient plaats te vinden als ter zake van de bestendige jurisprudentie aangaande het aanwezig hebben van drugs. Op grond van die jurisprudentie is niet doorslaggevend aan wie de drugs toebehoren. Ook is niet vereist dat bij de verdachte sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de drugs. Voor het tenlastegelegde opzettelijk vervoeren (en daarmee aanwezig hebben) van verdovende middelen is vereist dat deze zich a) in de machtssfeer van de verdachte bevinden, dat wil zeggen dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Daarnaast is vereist dat de verdachte b) wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaa

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

Parketnummer : 20-001790-25
Uitspraak : 7 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 juni 2025, parketnummer 02-032123-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 20-002105-21, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is het tenlastegelegde bewezenverklaard, de verdachte ter zake ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 1) en ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is er beslist op het beslag.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

Namens de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit wegens bewijsuitsluiting van de bij de doorzoeking verkregen resultaten. Subsidiair is strafvermindering bepleit wegens het geconstateerde vormverzuim. Meer subsidiair is vrijspraak bepleit wegens onvoldoende bewijs van wetenschap en beschikkingsmacht. Meest subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1 hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2024 tot en met 25 maart 2024 te Breda, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meerdere hoeveelheden, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2 hij op of omstreeks 25 maart 2024 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 54,4 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:

1 op 25 maart 2024 te Breda opzettelijk heeft vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2 op 25 maart 2024 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 54,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

II.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

Primair heeft de raadsman bepleit dat de aanwijzingen dat het kenteken van het voertuig waarin verdachte reed op naam stond van een [leeftijd] -jarige vrouw, er een melding van 2 maart 2024 was dat het voertuig “betrokken was bij het dealen van drugs”, en de verdachte een antecedent had uit 2021 wegens witwassen en drugsrijden, onvoldoende waren om een redelijk vermoeden te hebben dat in de auto drugs aanwezig waren. Daarnaast heeft de verdachte geen toestemming gegeven om de auto te doorzoeken. Voorts kan de verdachte zich op het vormverzuim beroepen nu hij ten tijde van de doorzoeking de feitelijk bestuurder was met actuele controle over het voertuig. Door de onrechtmatige doorzoeking is er een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, hetgeen dient te leiden tot uitsluiting van het onrechtmatig verkregen bewijs, aldus de raadsman.

Indien het hof niet komt tot bewijsuitsluiting heeft de raadsman bepleit dat er onvoldoende bewijs is voor het gegeven dat de verdachte wist van de aanwezigheid van deze drugs en dat deze drugs zich binnen zijn machtssfeer bevonden. Het gegeven dat de verdachte de auto heeft geleend, de auto niet zijn eigendom was en de gevonden spullen in een verborgen ruimte lagen, maken dat niet gesproken kan worden van wetenschap en opzet, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Rechtmatigheid doorzoeking

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

[verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen op 25 maart 2024 in tegengestelde richting een [auto] rijden op de [straat] te Breda. [verbalisant 1] controleerde het kenteken en zag dat dit stond op naam van een vrouw die was geboren in het jaar [jaar] . In de auto zaten op dat moment twee jongemannen. Daarnaast was er in het politiesysteem een mutatie van begin maart 2024 op dit voertuig, inhoudende dat er vanuit het voertuig drugs zouden worden gedeald. De verbalisanten hebben het voertuig een stopteken gegeven waarna de auto tot stilstand kwam. De bestuurder gaf een rijbewijs, waaruit bleek dat het om de verdachte ging. [verbalisant 1] herkende de verdachte ambtshalve vanuit het taakaccent ondermijning, waar het vermoeden bestond dat de verdachte zich bezig zou houden met de handel in verdovende middelen. Gelet op deze aanwijzingen wilden de verbalisanten het voertuig doorzoeken. Van de verdachte mochten de verbalisanten niet in het voertuig kijken.

Opsporingsambtenaren hebben op grond van artikel 9 van de Opiumwet, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang tot – voor zover hier relevant – voertuigen wanneer er redelijkerwijs door hen kan worden vermoed dat met dat voertuig vervoerd worden of daarin aanwezig zijn middelen van lijst I of II behorende bij de Opiumwet.

Naar het oordeel van het hof konden de verbalisanten op grond van voornoemde feiten en omstandigheden redelijkerwijs vermoeden dat met dat voertuig verdovende middelen werden vervoerd en dus ook dat die in die auto aanwezig waren. De verbalisanten mochten dus het bewuste voertuig betreden en daarbinnen zoekend rondkijken op grond van artikel 9 van de Opiumwet.

De verbalisanten hebben vervolgens gerelateerd dat zij het voertuig hebben doorzocht, echter blijkt uit de weergave van de feiten niet van (een) ‘doorzoekingshandeling(en)’, anders dan het openen van het dasboardkastje. Het openen van het (niet afgesloten) dasboardkastje kan naar het oordeel van het hof als zodanig niet als een doorzoekingshandeling worden gezien, maar als een handeling in het kader van ‘zoekend rondkijken’ nadat de toegang te hebben verkregen tot het vervoermiddel. Naar het oordeel van het hof hebben de verbalisanten dan ook niet meer dan zoekend rondgekeken in het voertuig.

Tijdens het zoekend rondkijken hoorden de verbalisanten non-stop een telefoon afgaan die niet gevonden werd. Op dat moment hebben de verbalisanten het vermoeden dat de auto is uitgerust met een verborgen ruimte. De verdachte wordt dan aangehouden, het voertuig wordt in beslag genomen en is er sprake van een verdenking van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Pas bij de latere doorzoeking van het voertuig op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering worden de telefoon en de drugs aangetroffen in de verborgen ruimte achter het navigatiesysteem. Deze doorzoeking is rechtmatig geweest waardoor het verweer van de verdediging niet kan slagen.

Beschikkingsmacht over en wetenschap van de drugs

Het hof stelt voorop dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs heeft vervoerd onder omstandigheden een gelijksoortige afweging dient plaats te vinden als ter zake van de bestendige jurisprudentie aangaande het aanwezig hebben van drugs. Op grond van die jurisprudentie is niet doorslaggevend aan wie de drugs toebehoren. Ook is niet vereist dat bij de verdachte sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de drugs. Voor het tenlastegelegde opzettelijk vervoeren (en daarmee aanwezig hebben) van verdovende middelen is vereist dat deze zich a) in de machtssfeer van de verdachte bevinden, dat wil zeggen dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.

Daarnaast is vereist dat de verdachte b) wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die middelen aanwezig zijn in een bepaalde ruimte onder deze wetenschap kan worden geschaard.

a. Beschikkingsmacht over de verdovende middelen

De hoedanigheid van bestuurder van een auto waarin drugs worden aangetroffen, veronderstelt naar het oordeel van het hof reeds enige feitelijke macht over de in deze auto aangetroffen drugs. Immers, de bestuurder van een auto heeft toegang tot en kan beschikken over alle delen van de auto. Met de rechtbank stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 25 maart 2024 te Breda de in de bewezenverklaring vermelde hoeveelheid cocaïne (hierna tezamen kortweg: de drugs) heeft vervoerd. De verdachte is door de politie aangehouden en voormelde hoeveelheid drugs is, verpakt in 136 ponypacks door de politie na doorzoeking van de auto aangetroffen in de verborgen ruimte in het dasboard van de door de verdachte bestuurde [auto] met [kenteken] . Daarmee bevonden de drugs zich in de machtssfeer van de verdachte, dat wil zeggen dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken Dat de verdachte de drugs feitelijk heeft vervoerd en daarmee dus tevens de beschikkingsmacht over de aangetroffen hoeveelheid cocaïne had, staat naar het oordeel van het hof vast.

Wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen

Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan volgens het hof ook wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen bij de bestuurder en gebruiker van de auto worden verondersteld. In dat verband heeft als uitgangspunt te gelden dat de bestuurder en gebruiker van een auto geacht moet worden bekend te zijn met de daarin aanwezige voorwerpen en goederen. Nu de verdachte dit heeft ontkend en er naar het oordeel van het hof zich in het dossier ook overigens geen bewijsmiddelen bevinden waaruit met voldoende mate van zekerheid vol opzet van de verdachte kan worden afgeleid, dient de vraag te worden beantwoord of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het vervoer van cocaïne. Daartoe dient uit de bewijsmiddelen te blijken dat de verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat in de door hem bestuurde auto drugs aanwezig waren.

Het hof stelt dienaangaande voorop dat voorwaardelijk opzet op het vervoeren dan wel aanwezig hebben van drugs, aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat door de auto te besturen hij drugs zou vervoeren dan wel aanwezig zou hebben. Het zal daarbij moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daaronder dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid of de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat met het besturen van de auto de drugs zouden worden vervoerd of aanwezig zouden zijn. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat dat tot de mogelijkheden zou behoren, maar ook dat hij die kans ten tijde van de besturen van de auto ook bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of het besturen van de auto de aanmerkelijke kans op het vervoeren en aanwezig hebben van drugs in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

In het licht van deze vooropstelling overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft verklaard de auto geleend te hebben van een vriend. De verdachte heeft verklaard dat hij weet dat deze vriend met justitie in aanraking is geweest. Ten tijde van de staande houding stond de auto gesignaleerd in de politiesystemen met een mutatie van begin maart 2024 dat er vanuit dit voertuig gedeald zou worden. Hiervan zou ook een foto gemaakt zijn en in de politiesystemen staan. Dit is ook de reden voor de staande houding geweest. [verbalisant 1] herkende de verdachte ambtshalve vanuit het taakaccent ondermijning waarbij het vermoeden bestond dat de verdachte zich bezighield met drugs dealen. Daarnaast stonden er in het politiesysteem mutaties over de verdachte aangaande witwassen en het bezit van softdrugs. Als de verbalisanten vervolgens rondkijken in de auto gaat een telefoon af, dit gebeurt vervolgens vrijwel continu. Later is die telefoon aangetroffen in de verborgen ruimte met de drugs. Uit onderzoek aan deze bewuste telefoon is gebleken dat er op 25 maart 2024 tussen 06:31 uur en 11:24 in totaal 43 telefoongesprekken plaats hebben gevonden, waarvan 28 gesprekken tussen 06:31 en 10:26 uur. Deze 28 gesprekken betroffen zowel inkomende als uitgaande gesprekken, die allemaal werden beantwoord. Daarnaast is er onder verdachte zelf nog een telefoon in beslag genomen, een zwarte Samsung telefoon (goednummer 2707109). Deze telefoon is ook door de politie onderzocht. Op deze telefoon trof de politie meerdere drugshandel gerelateerde berichten aan (pagina’s 55 – 57), waaronder bijvoorbeeld de berichten van ene [naam] die aangaf dat hij contact met hem, verdachte, probeerde te maken, maar het andere nummer niet te bereiken was. De politie heeft vastgesteld dat ten tijde van deze chat (11:36 uur) de aanhouding van verdachte plaatsvond en voorts dat tijdens die aanhouding de telefoon in de verborgen ruimte afging.

De verdachte heeft verklaard het voertuig even van een vriend te hebben geleend om boodschappen te gaan doen. Dat de verdachte deze auto slechts ‘even’ heeft geleend en geen weet heeft gehad van onder andere de drugs in de auto, acht het hof (zeer) onaannemelijk nu de eigenaar van de drugs deze in grote hoeveelheden niet in de auto zou laten liggen, terwijl hij er zelf niet bij kan. Daarnaast acht het hof (zeer) onwaarschijnlijk dat de dealer van deze drugs de auto zal uitlenen met daarin nog zijn dealertelefoon, die non stop afging ten tijde van de doorzoeking. Deze telefoon moet naar het oordeel van het hof reeds eerder ook zijn afgegaan hetgeen de verdachte gemerkt zou moeten hebben.

Het kan dan ook volgens het hof niet anders zijn dan dat ten tijde van het besturen van de auto met daarin de telefoon en de drugs, er tevens werd gehandeld in die in de auto aanwezige drugs. Dat leidt er toe dat het hof van oordeel is dat gezien deze feiten en omstandigheden het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wetenschap had van het vervoeren en aanwezig hebben van de drugs, dan wel ten minste de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.

Gelet op de hoeveelheid die de verdachte op het momenten van aantreffen in zijn bezit had, is het hof van oordeel dat het hier niet kan gaan om harddrugs voor enkel eigen gebruik. Daar komt bij dat bij doorzoeking van de verborgen ruimte niet alleen harddrugs maar ook een telefoon (goednummer 2707228) en geld zijn aangetroffen die duiden op de handel in harddrugs, evenals de onder verdachte in beslag genomen telefoon (goednummer 2707109). Hoewel er aldus sterke aanwijzingen zijn dat de verdachte op het moment van de staande houding al enige tijd actief bezig was met het dealen van harddrugs, bestaat er volgens het hof op grond van het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting echter onvoldoende bewijs om de verdachte hiervoor te veroordelen.

Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte op 25 maart 2024 opzettelijk 54,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

de eendaadse samenloop van

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren en voorhanden hebben van 54,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne. De drugs zijn aangetroffen in een verborgen ruimte in het voertuig. Het vervoeren van drugs is een illegale bezigheid die de drugshandel in Nederland in stand houdt en daaraan bijdraagt. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs – in het bijzonder harddrugs – zeer schadelijk zijn voor de volksgezondheid en er tegen het bezit daarvan hard moet worden opgetreden.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 juli 2026. Hieruit blijkt weliswaar dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld, maar niet ter zake van soortgelijke feiten.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zo heeft de verdachte verklaard dat hij inmiddels getrouwd is en een dochtertje heeft gekregen. Zijn vrouw zit op dit moment in de Ziektewet en is in behandeling bij een psycholoog. De verdachte werkt als productie-operator bij een fabriek en heeft zijn chauffeursdiploma behaald. De verdachte heeft vroeger weleens drugs gebruikt, maar tegenwoordig gebruikt hij niet meer. Daarnaast is de verdachte bijna schuldenvrij.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het ‘Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)’, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Volgens die oriëntatiepunten kan voor het vervoeren van 50 tot 100 gram harddrugs een taakstraf voor de duur van 200 uur als uitgangspunt voor de op te leggen straf worden genomen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn naar het oordeel van het hof geen omstandigheden naar voren gekomen die ertoe dienen te leiden dat van deze oriëntatiepunten wordt afgeweken

Naar het oordeel van het hof is daarnaast noodzakelijk om ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Alles afwegende acht het hof een voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Het hof is van oordeel dat de inbeslaggenomen [auto] vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, nu met behulp hiervan de feiten zijn begaan. Uit de voorwaarde voor onttrekking aan het verkeer dat de betreffende voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang volgt dat het moet gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijs te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard, in strijd is met de wet of het algemeen belang. Het hof overweegt daartoe dat in de auto achter het navigatiesysteem een verborgen ruimte is aangetroffen – waarin de drugs en de telefoon waarmee gehandeld werd, waren verborgen – en welke verborgen ruimte met een elektronische schakelaar open geklikt en daarna opzij geschoven kan worden. Deze verplaatsing van het navigatiescherm is niet standaard in een [auto] en is niet een fabriekseigen ruimte. Deze ruimte is dus achteraf, op zeer professionele wijze, ingebouwd/gecreëerd. De wijze van inbouw en de hoge kwaliteit van afwerking doet derhalve vermoeden dat deze ruimte geen ander doel dient dan het onttrekken aan het zicht van een voorwerp, die zich in deze afgeschermde ruimte zou bevinden. Het hof acht het ongecontroleerde bezit van een auto met een verborgen ruimte in strijd met het algemeen belang, omdat dat soort ruimtes vrijwel altijd zijn bedoeld en worden gebruikt om voorwerpen uit het zicht te onttrekken – zoals ook in casu is geleken –, waarvan het bezit op zich zelf in strijd is met de wet of die zijn bedoeld om te gebruiken voor strafbare gedragingen. Daarnaast is bovendien inmiddels het (bewust) voorhanden hebben van een vervoermiddel met een verborgen ruimte strafbaar.

De hierna in het dictum te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten diverse ponypacks met harddrugs, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het bewezenverklaarde met betrekking tot deze voorwerpen is begaan. Voorts zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer een bij verdachte thuis aangetroffen ponypack en de bij verdachte thuis aangetroffen hennep, nu deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit zijn aangetroffen en zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, en zij telkens van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

Van de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten het aangetroffen geldbedrag en de telefoon in de verborgen ruimte van de auto, volgens opgave van verdachte niet aan hem toebehorend, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten. Het hof merkt overigens op dat bij het opstellen van de beslaglijst abusievelijk een verkeerd goednummer is opgenomen bij deze telefoon die gevonden is in de verborgen ruimte. Het juiste goednummer betreft 2707228 (vgl. pagina 180) in plaats van 2707109 (pagina 170).

De overige onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (de dashcam en de bijbehorende SD-kaart) zullen aan de verdachte worden teruggegeven.

Vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, opgelegd bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch onder parketnummer 20-002105-21. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 36d, 55 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1 STK Personenauto, [auto] (goednummer 2647010);
1 STK Verdovende Middelen, hennep (goednummer 2707174);
1 STK Verdovende Middelen, ponypack (goednummer 2707173);
52 GR Verdovende Middelen (goednummer 2707607);
2 GR Verdovende Middelen (goednummer 2707608);

gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1 STK Dashcam (goednummer 2707146);
1 STK SD-kaart (goednummer 2707154);

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

140,00 Euro (goednummer 2707105);
1 STKGSM (goednummer 2707228);

beveelt de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van, parketnummer 20-002105-21, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Aldus gewezen door:

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. G.J. Hanssen en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,

en op 7 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Hartmann en mr. Muijen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken