Hof 's-Hertogenbosch 6 juni 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1856

Geen gronden van billijkheid aanwezig om een vergoeding toe te kennen voor de kosten van rechtsbijstand voor werkzaamheden die in de piketperiode zijn verricht. Het hof is van oordeel dat de raadsman overeenkomstig art. 28b Sv jo. art. 39 Sv is aangewezen door het accepteren van de piketmelding. Niet is gebleken dat de raadsman of zijn vervanger zich overeenkomstig art. 38 Sv heeft gesteld, noch de Raad voor Rechtsbijstand heeft geïnformeerd dat als gekozen raadsman (op betalende basis) verder zou worden opgetreden. Het hof is van oordeel dat een aangewezen raadsman ex art. 28b Sv jo. art. 39 Sv niet hetzelfde is als een raadsman die is toegevoegd. Art. 44a WRB is in de situatie waarin door appellant een kostenvergoeding wordt gevraagd, niet van toepassing. De ratio van de wettelijke regeling van art. 530 Sv in samenhang met art. 44a WRB is te voorkomen dat de gewezen verdachte (achteraf) -al dan niet afhankelijk van het (te verwachten) resultaat- kan afzien van verdere gefinancierde rechtsbijstand én na afloop van de zaak een vergoeding kan vorderen van de Staat voor zijn kosten van juridische bijstand. Het hof acht de aanwijzing in het kader van de piketregeling als onderdeel van het totale systeem van gefinancierde rechtsbijstand, vergelijkbaar met de toevoeging in een strafzaak. Bezien tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde ratio en de overige omstandigheden in deze zaak in aanmerking genomen, acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig om een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de aangewezen raadsman (of zijn vervanger).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen