Hof 's-Hertogenbosch 6 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:398
De bank en spaartegoeden van de minderjarige kinderen behoren tot de rendementsgrondslag van de ouder die het ouderlijk gezag uitoefent. Belanghebbende krijgt daarvoor geen verhoging van het heffingvrije vermogen en evenmin heeft hij recht op een hogere heffingskorting. Er is geen sprake van een verboden discriminatie ten opzichte van bepaalde situaties waarin minderjarige kinderen zelfstandig in de belastingheffing worden betrokken. De wetgever heeft met de toerekenregel oneigenlijk gebruik willen voorkomen en is daarbij binnen de ruime beoordelingsvrijheid gebleven die hem toekomt. Evenmin is sprake van strijdigheid met het Europees Sociaal Handvest of het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Het hof acht de box-3 heffing ook niet in strijd met artikel 1 EP EVRM. Er is geen sprake van een individuele buitensporige last.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 3:42 Awb
- Artikel 6:22 Awb
- Artikel 8:58 Awb
- Artikel 8:64 Awb
- Artikel 1 BPB
- Artikel 2.15 Wet IB 2001
- Artikel 5.13 Wet IB 2001
- Artikel 14 EVRM
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 26 BUPO
- Artikel 16 Europees Sociaal Handvest
- Artikel 17 Europees Sociaal Handvest
- Artikel 2 IVRK
- Artikel 3 IVRK
- Artikel 32 IVRK
- Artikel 36 IVRK