Hof 's-Hertogenbosch 6 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:398

De bank en spaartegoeden van de minderjarige kinderen behoren tot de rendementsgrondslag van de ouder die het ouderlijk gezag uitoefent. Belanghebbende krijgt daarvoor geen verhoging van het heffingvrije vermogen en evenmin heeft hij recht op een hogere heffingskorting. Er is geen sprake van een verboden discriminatie ten opzichte van bepaalde situaties waarin minderjarige kinderen zelfstandig in de belastingheffing worden betrokken. De wetgever heeft met de toerekenregel oneigenlijk gebruik willen voorkomen en is daarbij binnen de ruime beoordelingsvrijheid gebleven die hem toekomt. Evenmin is sprake van strijdigheid met het Europees Sociaal Handvest of het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Het hof acht de box-3 heffing ook niet in strijd met artikel 1 EP EVRM. Er is geen sprake van een individuele buitensporige last.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken