Hof 's-Hertogenbosch 11 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5181

Procederen door een van twee erfgenamen namens de nalatenschap tegen de andere erfgenaam. Vader heeft twee dochters (dochter A en dochter B). Vanwege dementie worden de goederen van vader onder bewind gesteld. De bewindvoerder begint een procedure tegen dochter A wegens onder meer aanzienlijke contante geldopnamen van de bankrekening van vader. De kantonrechter veroordeelt dochter A om een bedrag aan de bewindvoerder te voldoen. Dochter A stelt hoger beroep in. Daarna, maar voor het nemen van de memorie van grieven, overlijdt vader en eindigt het bewind. De twee dochters zijn de enige erfgenamen (moeder is vooroverleden). Na schorsing en hervatting van het geding roept dochter A dochter B op om het geding als geïntimeerde over te nemen en voort te procederen. In dit geval treedt dochter B op grond van artikel 3:189 lid 2 BW in verband met artikel 3:171 BW bevoegd (met de kennelijke instemming van dochter A) op tegen dochter A als procespartij namens de nalatenschap waarin dochter A en dochter B deelgenoot zijn. Toelating van dochter A tot bewijslevering over bepaalde door haar gestelde uitgaven ten behoeve van vader.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken