Hof 's-Hertogenbosch 4 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5074
Exhibitievordering van werkgever tegen twee ex-werknemers. Het hof wijst de vordering af waarbij het toetst aan de hand van de maatstaf “Degene die inzage, afgifte of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, dient zodanige feiten en omstandigheden te stellen en met reeds voorhanden bewijsmateriaal te onderbouwen, dat de gestelde onrechtmatigheid/inbreuk voldoende aannemelijk is. De vraag wat in het kader van een vordering uit hoofde van art. 843a Rv respectievelijk artikel 1019a Rv als een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan niet in algemene zin kan worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) onrechtmatig handelen c.q. een (dreigende) inbreuk gebaseerde (verbods)vordering” (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304, NJ 2016/491; HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834, NJ 2017/22; HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775).
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 137 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 353 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 730 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1019a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1019i Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 28 Auteurswet
- Artikel 6:119 BW6
- Artikel 7:611 BW7