Hof 's-Hertogenbosch 18 mei 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2195
Belanghebbende is consulair medewerkster en is sinds het jaar 1999 door haar werkgever naar het buitenland uitgezonden. Belanghebbende en haar echtgenoot beschikken over een woning in Nederland. Hierin verblijven ze als belanghebbende (en haar echtgenoot) niet in haar woning in het buitenland verblijft. De Inspecteur heeft in de jaren 2010 en 2011 navorderingsaanslagen IB/PVV en in 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd waarbij hij de woning in Nederland niet heeft geaccepteerd als een eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, van de Wet IB 2001. Hij heeft de waarde van de woning daarentegen tot de rendementsgrondslag van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 gerekend. In geschil is of de Inspecteur met betrekking tot de navorderingsaanslagen over een nieuw feit beschikt en of de woning in 2012 een “eigen woning” is. Met de Rechtbank oordeelt het Hof dat de inspecteur kan navorderen en dat de woning geen “eigen woning” is omdat de centrale levensplaats, ondanks het langere verblijf van belanghebbendes echtgenoot in de woning als gevolg van bijzondere omstandigheden, niet in Nederland is gelegen. Het hoger beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl