Hof 's-Hertogenbosch 1 december 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5367

Toepassing artikel 8.14b van de Wet IB 2001 en artikel 44c URIB; ouderschapsverlofkorting Belanghebbende heeft in haar aangifte over het jaar 2012 een bedrag van € 276 aan ouderschapsverlofkorting geclaimd. Belanghebbende heeft in de jaren 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 gebruik gemaakt van de ouderschapsverlofregeling. Bij de aanslagregeling is de Inspecteur van de ingediende aangifte afgeweken en heeft hij de korting geweigerd omdat er naar zijn oordeel geen sprake is van een terugval in inkomen. Volgens de Inspecteur moet als volgt worden beoordeeld of sprake is van een terugval: - als hoofdregel moet het loon 2012 worden vergeleken met dat van 2011; - omdat belanghebbende ook in 2011 ouderschapsverlof heeft opgenomen, mag als uitzondering op de hoofdregel worden vergeleken met het aan 2011 voorafgaande jaar waarin geen ouderschapsverlof is genoten; - het jongste jaar waarin geen ouderschapsverlof is genoten, is 2007. Belanghebbende meent dat moet worden vergeleken met het jaar 2009, omdat haar ouderschapsverlof in dat jaar maar tot maart heeft geduurd en zij pas eind december 2009 opnieuw ouderschapsverlof is gaan opnemen. De in artikel 8.14b, tweede lid, van de Wet IB 2001 geformuleerde terugvaleis in samenhang met artikel 44c URIB bewerkstelligt dat belanghebbende in het kalenderjaar 2012 geconfronteerd wordt met een situatie die in de Wet noch in de wetsgeschiedenis is voorzien. Naar het oordeel van het Hof behelzen de ratio van de terugvaleis en de daarin besloten bedoeling van de wetgever een financiële tegemoetkoming in het opvangen van de inkomensachteruitgang ten gevolge van het opnemen van ouderschapsverlof. In de omstandigheden van het geval leiden deze tot de keuze van het eerste jaar dat geen ouderschapsverlof wordt genoten, in casu het kalenderjaar 2007. Een beroep van belanghebbende op schending van het motiveringsbeginsel wordt verworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen