Hof 's-Hertogenbosch 20 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4707

Belanghebbende maakt deel uit van de J-groep, een internationaal opererend concern. De aandelen in belanghebbende worden (middellijk) gehouden door J Inc.. Voorts houdt J Inc. sedert 2000 alle aandelen in M BV, die op haar beurt alle aandelen bezit in P BV, Q BV en de in Zwitserland gevestigde R. M BV vormt met P BV en Q BV een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 Wet VPB 1969. M BV heeft de aandelen in R sedert het moment van de verkrijging op haar fiscale balans steeds gewaardeerd op de historische kostprijs van € 104.722.486. In het boekjaar 2003/2004 besluit de J-groep tot een reorganisatie. In het kader daarvan verkrijgt belanghebbende het volledige belang in M BV. Ten tijde van die verkrijging bedraagt de waarde van M BV € 9.741.000. Per de datum van verkrijging vormt belanghebbende een fiscale eenheid met M BV, P BV en Q BV. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van M BV is gedaald in de periode vóór de verkrijging door belanghebbende. In maart 2009 draagt M BV, behoudens de aandelen in R, haar activa en passiva binnen fiscale eenheid over aan belanghebbende tegen de waarde in het economische verkeer. Vervolgens wordt M BV op verzoek ontvoegd uit de fiscale eenheid. Na die ontvoeging ziet de fiscale balans van M BV er als volgt uit: Activa Passiva R € 104.722.486 Liquide middelen € 14.399.705 Totaal € 119.122.194 Eigen vermogen € 119.122.194 ____________ Totaal € 119.122.194 In juni 2009 wordt M BV geliquideerd. De liquidatie-uitkering bestaat uit de waarde van de deelneming in R (€ 10.514.142) plus de aanwezige liquide middelen (€ 14.399.705) = € 24.913.847. Belanghebbende claimt een aftrekbaar liquidatieverlies van € 94.208.347, ofwel € 119.122.194 (opgeofferde bedrag, eigen vermogen ten tijde van de ontvoeging conform artikel 13d, lid 8, Wet VPB 1969) minus € 24.913.847 (liquidatie-uitkering). De Inspecteur betoogt dat R op grond van goed koopmansgebruik bij M BV dient te worden gewaardeerd op lagere bedrijfswaarde. Alsdan is het opgeofferde bedrag gelijk aan de liquidatie-uitkering en resulteert er geen liquidatieverlies. Zelfs indien zou worden uitgegaan van een opgeofferd bedrag van € 119.122.194, resulteert er volgens de Inspecteur geen aftrekbaar liquidatieverlies, omdat alsdan ingevolge artikel 13d, lid 4, Wet VPB 1969 rekening moet worden gehouden met een waardedaling van € 94.208.347. Ook in dat geval resulteert er geen liquidatieverlies. Ten aanzien van de waardering van de deelneming M BV oordeelt het Hof, onder verwijzing naar het arrest Hoge Raad 28 maart 2014, nr. 13/02818, ECLI:NL:HR:2014:684, rechtsoverweging 3.4.3, dat er geen verplichting is tot afwaardering van een structureel in waarde gedaalde deelneming en dat het M BV derhalve vrijstaat om haar deelneming R te waarderen op de historische kostprijs van € 104.722.486. Daarvan uitgaande dient volgens het Hof het opgeofferde bedrag van M BV, met inachtneming van het bepaalde in artikel 15aj, lid 6 en artikel 13d, lid 8, Wet VPB 1969, na ontvoeging te worden bepaald op € 119.122.194, zoals bepleit door belanghebbende. Vervolgens overweegt het Hof dat uitgaande van een grammaticale interpretatie van artikel 13d, lid 4, Wet VPB 1969, er sprake is van een aftrekbaar liquidatieverlies van € 94.208.347. Naar het oordeel van het Hof dient omwille van de rechtszekerheid als uitgangspunt te gelden dat de tekst van de wet, en daarmee een grammaticale interpretatie, gerespecteerd dient te worden. Voor een uitzondering op dat uitgangspunt is enkel plaats in het geval dat de woorden van de wet niet duidelijk zijn dan wel tot een zodanig resultaat leiden dat dit onmogelijk is voorzien of gewild door de wetgever. Het Hof is van oordeel dat van een dergelijke uitzonderingssituatie sprake is. Daarbij overweegt het Hof, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis ter zake, dat artikel 13d, lid 4 Wet VPB 1969 beoogt om bij de liquidatie van een tussenhoudster, zoals de liquidatie van M BV, enkel het verlies in aanmerking te nemen dat is geleden door de te liquideren tussenhoudster zelf, en dat het niet de bedoeling is dat elders in het concern geleden verliezen (in casu door R) als aftrekbaar liquidatieverlies kan worden vergolden. Het in de onderhavige casus in aanmerking nemen van een aftrekbaar liquidatieverlies, en in het bijzonder de daarbij door belanghebbende gekozen (om)weg, acht het Hof dermate indruisen tegen hetgeen voorzien of gewild is door de wetgever met de sedert 27 april 1990 gerepareerde liquidatieverliesregeling dat doel en strekking dient te prevaleren boven een grammaticale interpretatie van de wettekst. Het in overeenstemming brengen met de wil van de wetgever betekent in dit geval dat het (deelnemings)verlies dat is geleden met R uit het berekende liquidatieverlies dient te worden geëlimineerd, waarna geen liquidatieverlies meer resteert. Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken