Hof 's-Hertogenbosch 17 april 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1390
Art. 67 AWR. Wet openbaarheid van bestuur. Art. 8:42 Awb. Art. 365 Wetboek van Strafvordering. Art. 26 AWR. Art. 8:71 Awb. Belanghebbende is betrokken geweest in belastingprocedures en voor dezelfde jaren strafrechtelijk vervolgd. Hij wil overlegging van stukken, die in die procedures niet zijn overgelegd. In het bijzonder wil belanghebbende overlegging van stukken met betrekking tot de selectie en aanmelding door de Belastingdienst voor het zogenoemde tripartite-overleg als bedoeld in de vervolgingsrichtlijn ter zake van de strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie. Belanghebbende dient bij de Belastingdienst een Wob-verzoek in, dat door de staatssecretaris van Financiën wordt afgewezen. Zijn Wob-verzoek wordt tevens door de Minister van Veiligheid en Justitie afgewezen. Kort weergegeven verwijst de staatssecretaris van Financiën naar de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Veiligheid en Justitie verwijst naar de staatssecretaris van Financiën. Het Hof oordeelt, dat tegen de beslissing van de staatssecretaris van Financiën op het verzoek om ontheffing van de geheimhoudingsplicht (art.67 AWR) geen beroep bij de belastingrechter openstaat vanwege het in het belastingrecht gesloten stelsel van rechtsmiddelen (art. 26 AWR). Omdat de staatssecretaris van Financiën dit had kunnen weten moet hij het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoeden. De staatssecretaris van Financiën heeft namelijk belanghebbende op het verkeerde been gezet door in de beslissing op bezwaar als rechtsmiddel op te nemen dat belanghebbende zich wel tot de belastingrechter kon wenden. In de belastingprocedure zijn de stukken niet overgelegd, omdat deze in het strafdossier zouden thuis horen. De stukken zijn niet aan het strafdossier toegevoegd, omdat de stukken zouden thuishoren in de belastingprocedure. Het Hof is dan ook van oordeel, dat belanghebbende voor de door hem gevraagde stukken van ‘het kastje naar de muur’ is gestuurd. Het Hof bepaalt dat uitsluitend bij de burgerlijke rechter een vordering kan worden ingesteld (art. 8:71 Awb).
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2692
- Rb. Oost-Brabant 28 mei 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3613
- Hof 's-Hertogenbosch 18 februari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:377
- Hof 's-Hertogenbosch 25 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ9967
- Rb. 's-Hertogenbosch 7 december 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:7342
- Rb. 's-Hertogenbosch 7 februari 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BV2888
- ABRvS 20 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1879
- ABRvS 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1041