Hof 's-Hertogenbosch 4 december 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5203
Hof acht de verschuldigde rente ter zake van een lening op grond van artikel 10a, lid 2, onderdeel b, Wet Vpb niet-aftrekbaar Belanghebbende is een Nederlandse houdstermaatschappij van een groot internationaal concern, dat in meerdere landen een beursnotering heeft. De tophoudstermaatschappij van het concern heeft besloten de aandelen van een dochtermaatschappij van de Italiaanse beurs te halen. De aandelen van die dochtermaatschappij zijn voor ruim 71 % in handen van de tophoudstermaatschappij en voor ruim 28 % in handen van het publiek. Bij het verwerven van de aandelen die in handen van het publiek zijn wordt een route gekozen die is ingegeven door fiscale motieven. Op instigatie van belanghebbende richt een derde vennootschap T op met een aandelenkapitaal van € 10.000. Enkele dagen nadien geeft vennootschap T aandelen uit aan belanghebbende met een nominale waarde van € 110.000 waarop door belanghebbende een ‘premium’ van ruim € 237.000.000 wordt gestort. Op diezelfde dag verwerft belanghebbende de aandelen van de derde voor € 10.000. Belanghebbende heeft de kapitaalstorting in vennootschap T gefinancierd met een lening van een verbonden lichaam. Ter zake van de lening is belanghebbende in 2004 rente verschuldigd ten bedrage van ruim € 6.500.000. In geschil is het antwoord op de vraag of de renteaftrekbeperking van artikel 10a, lid 2, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing is op de rente ter zake van de verbonden lening. Het Hof overweegt dat een wijziging van het uiteindelijke belang in de groepsmaatschappij door belanghebbende niet aannemelijk is gemaakt, dat geen sprake is van strijd met doel en strekking van de wet, dat niet is voldaan aan de zakelijkheidstoets en voorts dat het bestaan van een compenserende heffing evenmin aannemelijk is gemaakt. Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende strekkende tot het stellen van prejudiciële vragen af en overweegt tot slot dat geen sprake is van strijd met de vrijheid van vestiging en/of de vrijheid van kapitaalverkeer. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl