Hof 's-Hertogenbosch 23 mei 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1472
Belanghebbende is commanditair vennoot in een film-CV. Om aanspraak te maken op de ondernemersfaciliteiten (van het voor het jaar 2002 geldende overgangsrecht) voor film-CV’s, is doorslaggevend dat de CV een onderneming drijft. Het Hof oordeelt , dat belanghebbende niet gebonden is aan de (voor hem negatieve) uitkomst van een als proefprocedure aangewezen cassatieberoep van één van de medeparticipanten. Dit omdat belanghebbende geen partij was bij de winstvaststellingsovereenkomst en zich ook niet vooraf met de gebondenheid aan de uitkomst van de proefprocedure akkoord heeft verklaard. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de CV, conform de bepalingen van de tussen de CV en de BV overeengekomen ‘uitvoerende productieovereenkomst’, de vereiste (schriftelijke) toestemming heeft verleend voor de meerkosten boven het geraamde budget. Daaraan heeft de Inspecteur terecht de conclusie verbonden dat hij de winstvaststellingsovereenkomst mocht opzeggen. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl