Hof 's-Hertogenbosch 30 december 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ1535

Belanghebbende is een in Spanje gevestigde vennootschap en aldaar aan de vennootschapsbelasting onderworpen. Zij houdt een deelneming van 5,48% in een Nederlandse vennootschap. Van deze deelneming heeft belanghebbende een dividenduitkering ontvangen waarop 15% dividendbelasting is ingehouden. Belanghebbende heeft deze dividendbelasting niet binnen zes weken na inhouding teruggevraagd, maar pas na het verschijnen van nieuwe Europeesrechtelijke jurisprudentie, bij brief van 21 december 2006. De inspecteur bestrijdt in hoger beroep niet dat belanghebbende materieel recht heeft op de teruggaaf, maar stelt dat belanghebbende naast een bezwaarschrift tegen de inhouding de mogelijkheid had om tijdig een aangifte vennootschapsbelasting in te dienen. Het hof overweegt dat belanghebbende in de brief van 21 december 2006 heeft verzocht om teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting, onder vermelding van alle relevante gegevens. Deze brief is ingediend binnen de in art. 5 van de Uitv. besch. Vpb genoemde termijn van drie jaren. Volgens het hof had de inspecteur die brief mede als een verzoek om uitreiking van aangiften vennootschapsbelasting moeten aanmerken. Aan de hand van de aangiften had de inspecteur vervolgens op grond van art. 25a, lid 2, Wet Vpb nihil-aanslagen moeten opleggen met verrekening van de ingehouden dividendbelasting. Dat de inspecteur de brief van 21 december 2006 niet als een zodanig verzoek om uitreiking van aangiften heeft onderkend, kan belanghebbende niet worden tegengeworpen, aldus het hof. Belanghebbende heeft alsnog recht op teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen