Hof 's-Hertogenbosch 22 oktober 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP3644
Belanghebbende heeft een gebouw in aanbouw gekocht voor ruim € 120.000.000, vermeerder met ruim € 22.000.000 omzetbelasting. Belanghebbende heeft het gebouw vervolgens af laten bouwen. Na oplevering op 1 juni 2005 is een kleine 60% van het pand belast verhuurd (artikel 11, lid 1, onderdeel b, onder 5). In 2006 is belanghebbende 1628 m² gaan verhuren met vrijstelling van omzetbelasting. Ter zake van de vrijgestelde verhuur legt de inspecteur een naheffingsaanslag op. In geschil is het antwoord op de volgende vragen: levert het vrijgesteld verhuren een 3-1-h levering op en zo niet, is belanghebbende de vrijgesteld verhuurde vierkante meters dan gaan bezigen in de zin van artikel 15, lid 4, tweede volzin. Het Hof stelt op grond van de feiten vast dat het gebouw flexibel is in te delen en dat de te verhuren gedeelten worden afgestemd op de wensen van de huurders. Er is een centrale hal met receptie, een gemeenschappelijke parkeergarage, een centrale lift, centrale verwarmingen technische voorzieningen en installaties. Het goed dient volgens het Hof als één goed in de zin van artikel 3, lid 1, letter h waarover bij de eerste verhuur in 2005 voor bedrijfsdoeleinden is beschikt e worden aangemerkt; hieruit volgt dat bij de verhuur in 2006 geen sprake kan zijn van het beschikken voor bedrijfsdoeleinden over een gedeelte van dit gebouw. Voor de tweede vraag verwijst het Hof naar het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2009, nummer 07/13230, LJN: BG4109. Het Hof herhaalt dat er sprake is van één goed dat in 2005 in gebruik is genomen, in de tekst van artikel 15, lid 4 is gaan bezigen. Met ook nog een verwijzing naar de wetgever: Handelingen Tweede Kamer 1977/78 14.887, nrs 1-3, blz 25 komt het Hof tot de conclusie dat de in aftrek gebrachte voorbelasting niet in 2006 hoeft te worden herzien. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond, de naheffingsaanslag wordt vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl