Hof 's-Hertogenbosch 14 augustus 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BK1178
Belanghebbende is sinds 1997 de moedermaatschappij van de fiscale eenheid met bv 1 en bv 2. Bv 1, een detailhandel in naaimachines, heeft een voorvoegingsverlies uit de jaren vanaf 1993, wat tevens het enige verrekenbare verlies van de fiscale eenheid is. Per 1 januari 2003 zijn de activiteiten van bv 2, een groothandel in naaimachines, gereedschappen en aanverwante artikelen, overgedragen aan bv 1. Na deze datum zijn de aandelen in belanghebbende overgedragen aan de kinderen van de overdragende aandeelhouder. In geschil is of de inspecteur verrekening van het voorvoegingsverlies terecht heeft geweigerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de activiteitentoets van art. 20a, lid 4, Wet VPB 1969 dient plaats te vinden op het niveau van de fiscale eenheid en niet op niveau van bv 1. In dat geval zijn de activiteiten niet afgenomen tot minder dan 30% van de gezamenlijke omvang van de activiteiten bij het begin van het oudste jaar waarvan het verlies nog niet is verrekend en is het gelijk aan belanghebbende. Het hof is het niet met de rechtbank eens. De wetgever heeft nooit bedoeld heeft aan de fiscale eenheid terugwerkende kracht te verlenen en meer verlies te verrekenen dan bij zelfstandige belastingplicht van de vennootschap. De bedoeling die de wetgever met de activiteitentoets had kan alleen tot zijn recht komen wanneer bij verrekening van voorvoegingsverliezen als de onderhavige de activiteitentoets op het niveau van de vennootschap wordt aangelegd. Anders dan belanghebbende meent, blijken deze bedoelingen van de wetgever volgens het hof voldoende duidelijk uit de aanhef van voorwaarde 3a. Artikel 15ae van de Wet Vpb vormde in 2003 slechts een verduidelijking van de eerdere bedoelingen van de wetgever. Het gelijk is aan de inspecteur.
De uitspraak op rechtspraak.nl